Lichaamstemperatuur zilvermier loopt op tot 54 graden Celsius

Tot de merkwaardigste bewoners van de Sahara behoort de zilvermier, Cataglyphis bombycina.

Deze woestijnbewoner houdt het hoofd koel door zijn bezigheden buitenshuis te beperken tot enkele minuten per dag. Rond het middaguur, juist op het heetst van de dag, als de temperatuur in het zand is opgelopen tot zo'n 60 graden Celsius, wagen alle leden van de ondergrondse mierenkolonie zich plotseling gezamenlijk in de brandende zon, grijpen hun prooien die door de hitte zijn overrompeld en sleuren deze buit mee terug naar het ondergrondse hol. De belangrijkste prooien zijn andere soorten woestijnmieren die 's nachts of 's morgens vroeg actief zijn en "al' bij 35 tot 45 Celsius graden terugkeren naar hun ondergrondse kolonies. Keren ze te laat terug, dan worden ze het slachtoffer van de hitte en vallen er bij neer.

Volgens onderzoekers van de Universiteit van Zürich en van de Universiteit van Windhoek (Namibië) beperken zilvermieren hun activiteiten tot een scherp begrensd trajekt tussen 46 en 54 graden. Ze worden pas actief als de temperatuur in het ondergrondse hol tot 46 graden is opgelopen en kruipen in hun hol terug voordat ze het zelf heter krijgen dan 54 graden. Ze gaan niet bij lagere temperaturen op pad omdat ze dan het risico lopen zelf door vijanden te worden opgegeten, en ze wagen zich niet te lang buitenshuis omdat ze dan hun kritieke lichaamstemperatuur zouden kunnen overstijgen en aan de hitte bezwijken. Voor zover bekend is hun kritieke maximum lichaamstemperatuur met 54 graden de hoogste van alle landdieren. (Nature, 18 juni)