Journalistieke metier is aan vernieuwing toe; Politiek in democratische landen is overal ongeveer hetzelfde; Je mag in Nederland goed zijn, maar je moet niet de indruk wekken dat je dat zelf ook vindt

Politiek redacteur Rob Meines kreeg gisteren in Den Haag de Anne Vondelingprijs uitgereikt voor de artikelen die hij in 1991 in deze krant schreef. Hierbij een bewerking van de dankrede die hij bij deze gelegenheid uitsprak.

Twee vragen heb ik sinds mijn terugkeer uit Duitsland tweeëneenhalf jaar geleden met grote regelmaat moeten beantwoorden. De eerste is: hoe kun jij zo snel na je buitenlands correspondentschap en zonder dat je tevoren in Den Haag hebt gewerkt zo diepgaand over de Haagse politiek schrijven? Het antwoord is simpel: wanneer je vele jaren als journalist de Duitse politiek intensief hebt gevolgd, dan heeft de Nederlandse politiek weinig geheimen en voltrekken de grote lijnen van de ontwikkelingen zich hier zelfs tamelijk voorspelbaar. Zo bijzonder is dat schrijven daarover dus niet.

De andere vraag die steeds werd gesteld, was van retorische aard: na Duitsland, zo werd gezegd, zal de Nederlandse politiek wel veel te klein en onbetekenend voor je zijn? Mijn antwoord: nou, nee. Politiek in democratische landen is overal ongeveer hetzelfde: er zijn goede en minder goede politici, de neiging om over bijzaken te praten verschilt in Duitsland of Frankrijk of Engeland niet van Nederland. Je hebt er even vaak het gevoel dat veel politici meer met zichzelf dan met de zaak bezig zijn. Er wordt gekonkeld, geïntimideerd, er wordt op de man gespeeld, en er worden ook serieuze en goede plannen gemaakt. Politiek is in Den Haag net zo spannend, net zo saai, net zo ergerniswekkend, net zo verrassend soms als in Bonn of bijvoorbeeld Washington. Het voornaamste verschil is dat de besluitvorming in die steden wat meer impact in de wereld heeft. Wie de Haagse politiek goed kent, wie vaak op het Binnenhof heeft verkeerd, zal niet echt worden verrast door de methoden van de politici in andere, ook veel grotere, regeringssteden.

Er zijn twee opvallende verschillen tussen het werken in Den Haag en bijvoorbeeld Bonn. De eerste is, dat buiten Nederland veel openlijker - oprechter, zou ik bijna zeggen - machtspolitiek wordt bedreven. In onze buurlanden zouden mensen als Braks, Andriessen, Dankert, Van den Broek (misschien niet de premier) gewoon kunnen zeggen wat hun ambities zijn. In Nederland zijn ze altijd gedwongen zich te bedienen van terminologieën als "geroepen worden tot'.

Bondskanselier Helmut Kohl gaf het zijn vrienden tien jaar voor dato al schriftelijk te kennen: “Ik word bondskanselier”. Duitsers vinden dat normaal. Veel Nederlanders vinden hem een nare man, mede als gevolg van deze doelgerichtheid, zonder welke niemand in zijn land ooit ergens zou komen. Elco Brinkman neemt nog steeds een houding aan van “nou dat moeten we nog afwachten, hoor” als het om de opvolging van Lubbers gaat. Ik neem de Nederlandse politici deze ontwijkmanoeuvres niet echt kwalijk, want hoewel iedereen steeds roept, wij journalisten voorop: “geef het nou maar toe!”, zouden we vervolgens de betreffende wel erg arrogant vinden als hij dat nog deed ook. Je mag in Nederland goed zijn, maar je moet vooral niet de indruk wekken dat je dat zelf ook vindt.

Het verraderlijke is dat er in Nederland niet minder machtspolitiek wordt bedreven dan elders; het wordt alleen verhuld, weggemoffeld, ontkend. Op dit punt zijn wij een krampachtig volkje. Natuurlijk heeft Gerrit Braks - en wie zal het hem kwalijk nemen - zich op gezette tijden te bestemder plaatse even gemeld voor de functie van Euro-commissaris. Zonder twijfel hebben Ruud Lubbers en Hans van den Broek op bepaalde momenten activiteit ontplooid, sleutelpersonen op een bepaalde manier aangesproken, waardoor hun kansen op mooie en voor de hand liggende internationale functies in elk geval niet zouden worden verkleind.

Je kunt niet politici het internationale toernooiveld opsturen met de opdracht er zoveel mogelijk voordelen voor Nederland uit te slepen, en tegelijkertijd van hen eisen dat ze ervan afzien hun eigen belangen te behartigen. Sterker nog, politici die niet zo sluw voor zichzelf zijn, bereiken ook minder voor het land.

Een tweede verschil tussen het werk van een Nederlands correspondent in het buitenland en het journalistieke werk in Den Haag is dat de Nederlandse correspondent elders in een groot isolement verkeert. “Ik ben van NRC Handelsblad”. “NRC wat...?” Wie gedrogeerd is door de dagelijkse respons op zijn stukken op het Binnenhof, wie niet kan leven zonder het warme bad van het “Prachtig stuk, zeg”, moet vooral geen correspondent worden.

De geringe relevantie van ons land komt dan op pijnlijke wijze aan het licht; in de pikorde staat Nederland echt niet veel hoger dan IJsland. Dit bleek ook tijdens het Nederlandse EG-voorzitterschap vorig jaar, toen de Nederlandse voorstellen voor de Europese Politieke Unie op "zwarte maandag' door alle partners, op België na, ruw van tafel werden geveegd. De Nederlandse invloed op het proces bleek veel kleiner dan regering èn parlement hadden gedacht. Ons zelfbeeld als Nederlanders, dat blijkt hier weer uit, is niet geheel vrij van zelfingenomenheid.

Merkwaardig genoeg zijn we op één punt steeds ten onrechte negatief over onszelf, namelijk als het om de zogenaamde "koopkrachtplaatjes' gaat: de halve procenten meer of minder voor minima, uitkeringstrekkers, modaal, tweemaal modaal, etcetera. In Den Haag hoort men in toenemende mate dat het afgelopen moet zijn met dit gemillimeter. Ik ben het men die stelling niet eens.

In de Nederlandse politiek zijn nog twee thema's echt interessant. Ten eerste: inkomenspolitiek, ten tweede: de plaats van Nederland in Europa en de wereld. Bij het thema "inkomenspolitiek' gaat de discussie voornamelijk over lastenverlichting of lastenverzwaring in relatie tot de hoogte van de sociale uitkeringen, de minima. De marges zijn gering, dus is het niet verwonderlijk dat om die marges wordt gestreden. In verschuivingen van procenten achter de komma kunnen politieke partijen nog iets van hun profiel tot uitdrukking brengen. Er zijn te weinig Kalands bij het CDA en andere partijen om het profielverlies op andere wijze tegen te gaan.

De discussie over inkomenspolitiek gaat over de grenzen van de verzorgingsstaat. Hoeveel inactieven zijn er bijvoorbeeld mogelijk per honderd actieven? Ook die berekeningen worden gemeten in punten achter de komma: wat zijn bijvoorbeeld de effecten van 0,9 procent meer WW-premie, 0,5 procent minder WAO-premie? Nederland voert hier een voorhoede-discussie voor heel West-Europa; de relevantie ervan stijgt ver uit boven die van dit land alleen. Bovendien: waarover zouden we in Nederland (naast, zoals gezegd de positie in de wereld) anders nog kunnen discussiëren? Nederland is wel zo'n beetje klaar, de enige beweging zit in millimeters. Dat is niet zo spannend, maar het is de consequentie van het feit dat Nederland in de wereld tot de zeer kleine kopgroep van super-ontwikkelde landen behoort.

Het andere interessante thema in de vaderlandse politiek is de plaats van Nederland in de wereld. Dat is één van mijn thema's. In de praktijk moet Nederland zijn hele buitenlandse beleid, dat wil zeggen zijn positie in de wereld, herdefiniëren. Ten aanzien van de nieuwe rol van de VN hebben we dat al keurig gedaan: we zijn bereid mee te doen aan militaire acties die op het afdwingen van vrede beginnen te lijken. Op andere punten zijn we nog niet zo ver. Wat dragen we aan Europa over, willen we verbreding of verdieping, hoe redden we de volkeren van het voormalig Joegoslavië, wat doen we met het toenemend geweld in Zuid-Afrika, wat is onze houding tegenover de door Israel bezette gebieden als het er straks echt om gaat spannen, hoe ver zijn we bereid te gaan in het verstrekken van hulp aan het GOS en Oost-Europa? Op de meeste van deze vragen is er nog geen begin van een antwoord.

Wie zich dit realiseert kan zich er nauwelijks over verbazen dat de minister-president van dit land zich wat meer bevoegdheden op buitenlands politiek terrein tracht toe te eigenen. Ook hij zoekt af en toe wat spannends naast de vierkante centimeters van de koopkrachtdiscussie. Wellicht zouden we het bestrijden van de de saaiheid tot derde belangrijke vraagstuk in de Nederlandse politiek moeten verklaren.

Het spannende in politiek Nederland zit niet meer in het nieuws zelf, maar in de uitleg ervan, in de vraag welke hoge ambtenaren of welke ambtelijke werkgroep welke voorstellen heeft gedaan of juist niet heeft gedaan, in de vraag waarom de bewindsman het ene voorstel wel en het andere niet heeft gevolgd, in de vraag ook wie op welk moment even aan een touwtje mag trekken en vooral waarom.

Dat alles vergt een andere journalistieke aanpak. Het adagium van de scheiding tussen nieuws en de interpretatie ervan functioneert niet meer. Willen artikelen enigermate recht doen aan de gecompliceerdheid van de hedendaagse thema's dan zullen dat collage-artikelen moeten zijn met elementen van nieuws, van interpretatie, van analyse, van beschouwing, compleet met reportage-aspecten, sfeertekening, portretbestanddelen. Op die manier ontstaan momentopnamen van een stukje werkelijkheid, die de lezer inzicht geven in een bepaalde gebeurtenis, waardoor hij de achtergronden van andere gebeurtenissen ook beter kan beoordelen.

Deze aanpak vergt journalistieke integriteit, goed geschoolde en getrainde journalisten, die in staat zijn gecompliceerde problemen te doorgronden en zich niet of nauwelijks engageren met politieke partijen. Er zijn senior editors voor nodig die dit riskante proces begeleiden en die de jongere newsgetters uit de gevarenzone houden.

Staande op de schouders van collega's heb ik in Rotterdam, in Duitsland en in Den Haag geprobeerd op deze manier te werken als journalist. De prijs die ik vandaag krijg, zie ik dan ook niet alleen als een beloning voor mijzelf, maar evenzeer voor de mensen die vóór en tegelijk met mij zich op hetzelfde pad hebben begeven en die met de toekenning van deze prijs te horen krijgen: zo ongeveer moet het zijn. Ik zie de prijs ook als een eerbewijs aan NRC Handelsblad.

Wat mij in de toekenning van deze prijs extra beroert, is dat zij Anne Vondelingprijs heet. Anne Vondeling was net als ik een Fries en hij was bovendien president-commissaris van mijn eerste krant, de Friese Koerier. In het voorspel tot de fusie met de Leeuwarder Courant in 1969 ontmoetten wij, redacteuren, hem en de andere commissarissen diverse keren. In de reconstructie in boekvorm van die fusie wordt een verslag aangehaald van zo'n bijeenkomst. Ik citeer één zin: “Vondeling zegt: het is uw krant, want u maakt hem”. Naar zo iemand is met recht een journalistieke prijs genoemd.