Interetnische vriendschap

Jeugd en samenleving. Mei/juni-nummer. Prijs ƒ 14,50. Giro 2956320, Amersfoort.

Toen in 1979 het Haarlemse kinderdagverblijf Hannie Schaft zou worden opgericht ging de aanstaande directrice samen met een Turkse leidster naar de Drostefabriek, waar veel Turkse mannen en vrouwen werkten. Voor de meesten van hen was deze vorm van kinderopvang nieuw. Zij hoorden van de directrice dat er in het kinderdagverblijf veel speelgoed zou zijn, dat hun kinderen er Nederlands zouden leren en dat het niet veel hoefde te kosten. De helft van de kinderen zou allochtoon zijn en een deel van de leidsters ook. Er werden dertig Turkse kinderen aangemeld.

Inmiddels kost Hannie Schaft Turkse ouders heel wat meer geld. Tot 1987 werd het als "internationaal kinderdagverblijf' gesubsidieerd door het ministerie van CRM, waarna het geld voor welzijnswerk werd gedecentraliseerd en de gemeente Haarlem prompt de aangepaste ouderbijdrage afschafte. Ook de extra uren voor oudergesprekken, voor begeleiding van een intercultureel team en voor methodiekontwikkeling vielen weg. Vooral dankzij de goede naam die Hannie Schaft in de loop van dertien jaar heeft opgebouwd zitten er nog steeds zestig kinderen op het kinderdagverblijf, dertig Turkse en dertig Nederlandse.

Het kinderdagverblijf Hannie Schaft wordt in het meest recente nummer van Jeugd en Samenleving opgevoerd als voorbeeld van een "geslaagd project voor etnische jongeren'. Jeugd en Samenleving heeft het mei/juninummer geheel gewijd aan "kleurrijke successen': Hannie Schaft, het lespakket "Dit zijn wij', een florerend Turks jongerencentrum in Amsterdam, het project "sport=gaaf' en zeven andere succesvolle programma's voor allochtone jongeren. Daarnaast zijn er twee wetenschappelijke artikelen opgenomen, één over de mogelijkheden en onmogelijkheden van "interetnische vriendschap' en één over de dilemma's rond "etnisch categoriseren'.

Zoals de moeizame benaming van de laatste twee items al doet vermoeden heeft een aantal auteurs problemen met de terminologie, waaronder de "werkgroep etnische jeugd' van Jeugd en Samenleving zelf. In het commentaar van de redactie waarmee het tijdschrift opent wordt uitgebreid uitgelegd hoe men tot de keuze voor de term "etnische jeugd' is gekomen: "buitenlanders' zou doen denken aan rechts-extremisme, "migrant' is vaak onjuist, "etnische minderheid' legt het accent bij voorbaat op problemen en "allochtoon' (letterlijk: uit een vreemd land) zijn veel jongeren niet. Waarschijnlijk is het deze omzichtigheid die de redactie heeft belet de ingezonden stukken waar nodig in gewone mensentaal om te zetten. De kwaliteit wisselt al naar gelang de auteurs voorkeur voor verbloemende welzijnswerkerstaal of voor een heldere woordkeuze hebben.

Toch is het mei/juninummer van Jeugd en Samenleving alleszins de moeite van het lezen waard, al was het maar omdat veel van wat erin staat de media gewoonlijk niet haalt. Alleen "Opstap' krijgt regelmatig aandacht. Via dit project wordt allochtone moeders geleerd taal- en begripsspelletjes met hun kleuters te doen om zo de achterstand van deze kinderen op school te verkleinen. Sinds het begin in 1987 is "Opstap' als een olievlek over Nederland uitgebreid. Zo'n 2500 moeders in dertig steden volgen nu het door WVC gesubsidieerde programma, dat overigens op den duur net als de internationale kinderdagverblijven door de betrokken gemeenten moet worden overgenomen.

De meeste van de in Jeugd en Samenleving beschreven programma's zijn kleinschaliger en hebben meer moeite om het hoofd boven water te houden. Zo moet de Nederlandse Sport Federatie de aangesloten bonden keer op keer overtuigen van het belang van aparte werving van allochtone leden, van huisbezoeken en van speciale begeleiders. In Amsterdam zwierf de Turkse jongerenorganisatie "Alternatif' vier jaar lang van locatie naar locatie voor de gemeente inzag dat het hier om een van de weinige hoofdstedelijke organisaties ging die Turkse jongeren écht bereiken en men een eigen gebouwtje kreeg. Een programma in Deventer waarbij allochtone vrouwen in de leeftijd van 18 tot 25 jaar worden begeleid tot het moment waarop ze een vaste baan hebben, staat voortdurend onder druk het streefcijfer van zeventig bemiddelingen per jaar te halen, wil de subsidie niet worden stopgezet.

Het aardigste van dit nummer van Jeugd en Samenleving is dat het de lezer duidelijk maakt dat zoveel gesubsidieerde aandacht in veel gevallen ook gewoon nodig is. Met name het verhaal over het kinderdagverblijf Hannie Schaft is in dat opzicht illustratief. Ook na dertien jaar moeten Turkse en Nederlandse leidsters steeds opnieuw van elkaar leren waaruit hun specifieke inbreng bestaat. Nederlandse leidsters hebben meer boekenkennis, Turkse meer ervaring met kinderen. Nederlandse leidsters hebben de neiging zich te gedragen alsof ze alles beter weten.

Ondanks het wegvallen van de extra uren voor begeleiding van een intercultureel team wordt aan dit soort problemen nog elke week aandacht besteed. Bij teamvergaderingen krijgen eerst de Turkse leidsters het woord en op ouderavonden en studiedagen zijn altijd vertalers aanwezig. Aan het einde van zo'n studiedag werd eens gevraagd een hoogtepunt te noemen. Een Turkse leidster zei toen: "Dat ik alles heb kunnen volgen, dat ik geen woord heb gemist, dat is nog nooit voorgekomen'.