Gevoeligheid voor zware metalen bij dieren erfelijk

Bodemdieren die leven in grond die vervuild is met zware metalen zoals cadmium, lood, koper of zink, kunnen zich daaraan aanpassen.

Springstaarten blijken zich aan te passen aan het leven in met cadmium en lood vervuilde grond door meer zware metalen uit hun lichaam uit te scheiden. In proeven, waarbij het voer met zware metalen is vervuild, groeien de aangepaste dieren beter en krijgen meer jongen dan hun niet- aangepaste soortgenoten. Ze gaan echter ook eerder dood. Dat blijkt uit het onderzoek waarop dr Leo Posthuma op 3 juni aan de VU in Amsterdam promoveerde.

De springstaart (Collembola) is een klein bodemdiertje, dat vaak in bloempotten in de huiskamer te vinden is. In de natuur leven springstaarten, net als pissebedden, wormen en mijten van de afbraak van bladafval. Daarbij komen ze met zware metalen in aanraking. Cadmium kan groei en voortplanting van de springstaart sterk verminderen.

Uit het promotie-onderzoek blijkt, dat in een schoon gebied gevoelige en minder gevoelige bodemdieren voorkomen. Blijkbaar bestaan er verschillen in gevoeligheid voor zware metalen. Volgens de promovendus zijn die verschillen voor ongeveer een derde deel erfelijk bepaald. Aangezien gevoelige dieren zich minder snel voortplanten, wordt de gevoeligheid van opeenvolgende generaties steeds lager. Dat werd aangetoond in de omgeving van een loodsmelterij in het Duitse Stolberg, bij Aken.

Posthuma vermoedt, dat dieren die zich aan een hoger gehalte aan zware metalen hebben aangepast, minder variatie zijn gaan vertonen wat betreft lichaamsgroei en voortplanting. Ze kunnen daardoor minder flexibel op eventuele veranderingen in hun omgeving reageren en hebben daardoor op den duur minder overlevingskansen.