Gespannen

Een zanderige strook bos langs een maïsveld. Het suffe gepiep van een jonge uil. De late zang van een merel. We zitten onder de wind, uit de regen die zachtjes op de eikeblaadjes tikt.

Tien voor halfelf verschijnt het beertje. Grijs tussen de bomen, heer das in de kracht van z'n leven. Vrijwel meteen komt hij onze kant op. Met een vlugge buiteling verdwijnt hij in een pijp van zijn burcht.

Inmiddels is ook een wijfje verschenen. In de laatste schemering krabt ze zich met haar rechterachterpoot aan haar kin, achter haar schouder, onder haar buik, aan haar oor. Daarna dezelfde procedure links.

Weer nadert het beertje. Op een meter of twee blijft hij staan. Kijkt me recht in het gezicht. Zwaar bijziende. Het is dan ook eerder de neus die op me gericht wordt, een neus van waaruit hagelwitte strepen naar achteren lopen.

Probleem: als hij hier het bos uit wil, moet hij over me heen klimmen en dat mag, ik ben bereid over me te laten lopen, maar hij zou geweldig schrikken en kan vast wel bijten.

Dit probleem houdt geruime tijd aan. Dan draait hij zich om voor een omtrekkende beweging. Noem het beleefdheid.

“Ik vond ze gespannen”, fluistert Annemarie als we ons doodstil uit de voeten hebben gemaakt. “Ze wsten dat we daar zaten; hij kwam gewoon naar je toe om je te imponeren.”

Nou ja, het was zijn burcht.