Eindexamenkandidaten in de creatieve speeltuin

De opleiding modevormgeving aan de Nederlandse academies is pittig en kostbaar. Maandenlang ploeteren de studenten in het eindexamenjaar met hun afstudeer-collectie die volgens sommige docenten nog steeds "gek, maf en sprankelend' moet zijn.

Mode heeft te maken met gevoel, met behaagzucht, met kunst, zei Coco Chanel ooit. Dat klinkt wondermooi, maar in de praktijk betekent mode vooral: bloed, zweet, tranen en heel veel ploeteren. Eindexamenkandidaten van de Nederlandse modeacademies weten daarover mee te praten. De afgelopen weken was het weer zover: dertien kunstacademies met een mode-afdeling presenteerden het werk van hun studenten. Die hebben maandenlang dag en nacht gewerkt aan een eigen mini-collectie, de apotheose en afsluiting van hun studie.

Een opleiding modevormgmeving aan een Nederlandse kunstacademie is pittig. De studie duurt vier jaar (de avondstudenten mogen er een jaar langer over doen). En het zijn vier zware jaren waarin de studenten weinig tijd gegund is voor hobby's, uitslapen of ander vertier. Een recent rapport van de inspectie Hoger Onderwijs over studielast in het HBO toont aan dat studenten modevormgeving gemiddeld 60 uur per week aan hun studie besteden. Dat staat in schril contrast met economische en juridische opleidingen, die, volgens hetzelfde rapport, minder dan 40 uur per week eisen.

De meeste modestudenten verzuchten dat vooral het laatste jaar veel zelfdiscipline vereist. Maanden achtereen zien ze niets anders dan hun naaimachine. Sommigen raken zelfs overspannen en haken vlak voor de eindstreep af. Het is dus niet verwonderlijk dat het afvalpercentage op de mode-academies varieert van 20 tot boven de 50%. “In mijn eerste jaar waren we met een groep van vijfentwintig studenten”, vertelt Margaret O'Neill, eindexamenkandidate aan de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunsten, “waarvan er slechts vijf zijn overgebleven.”

De laatste loodjes zijn zo zwaar, volgens O'Neill, omdat dan alles samenvalt. “Je moet niet alleen zelf een collectie ontwerpen en uitvoeren, maar ook modellen zoeken, foto's maken en de styling van de show verzorgen: schoenen, make-up, muziek, de hele rimram. Het kost enorm veel tijd om iets moois te maken, want je collectie is grotendeels handwerk. Als je een fout maakt in het laatste stadium, is dat een ramp.”

Afstuderen kost de modestudenten heel veel geld. De kosten kunnen oplopen tot ƒ 10.000. “Ik heb zelf bewust gekozen voor goedkopere materialen”, zegt Margaret O'Neill, “maar ik kwam nog altijd op ƒ 7000 uit. Dat is je eigen keuze, iedereen heeft een ander budget. Het loopt pas goed uit de hand als je bijvoorbeeld zijden stoffen gebruikt.”

Heel krankzinnig dreigde het eindexamen te worden voor Rolf Schoeren van de Arnhemse Hogeschool voor de Kunsten. Hij gebruikte voor zijn collectie weliswaar geen zijde, maar paardehaar, tin en kraanoogstof. Al gauw rezen de uitgaven de pan uit: de kraanoogstof kostte maar liefst ƒ 160 per meter en hij had veel, heel veel stof nodig voor zijn volumineuze ontwerpen. Om de kosten enigszins te drukken werd de gehele familie ingeschakeld. Rolfs moeder breide truien van geitenwol, zijn vader maakte tinnen plaatjes. Rolf zelf: “Er is inderdaad ontzettend veel tijd en geld in gaan zitten. Maar dat heb je ervoor over. Daar streef je naar, het is je einddoel. Je wilt per slot van rekening toch de beste zijn.”

Een ding is duidelijk: de eindexamenshow is een cruciaal visitekaartje voor zowel student als academie. Voor de academie hangt van de jaarlijkse eindpresentatie de toeloop van nieuwe studenten af, en daarmee macht en status; voor de student is het de springplank voor zijn carrière. De kledingindustrie is immers nadrukkelijk op de shows aanwezig, ogenschijnlijk speurend naar talent. “De grote merken zijn weliswaar niet ieder jaar op zoek naar nieuwe krachten”, relativeert Hilde Harderingh, docente toegepast ontwerpen in Arnhem, “maar het is voor de vakwereld verfrissend om nieuwe ontwikkelingen op de shows te zien, om te zien wat jonge mensen zoal met bestaande kleding doen.”

Mode-opleidingen zijn in hoofdzaak nog altijd "creatieve speeltuinen', zoals ontwerper Frits Klaarenbeek dat onlangs uitdrukte. Het gaat er om dat de manier van denken over mode en het ontwerpen van kleding zich onderscheiden van de middelbare modevakschool of coupeursopleiding. Harderingh beklemtoont dat bij de shows de creativiteit van de studenten voorop staat. “In dit stadium speelt het nog geen rol of de collectie bruikbaar of commercieel is. Dat aspect leren ze straks in de praktijk wel. Ik vind het juist eng, als iemand tè toegepast bezig is. Dan denk ik: kan hij nog wel iets anders bedenken als dat vereist wordt?”

Dat kunstacademies niet in de eerste plaats gericht zijn op de vakpraktijk, merkte Anita Peters, die dit jaar aan de Utrechtse Hogeschool der Kunsten afstudeert. Zij werkte tijdens haar studie al twee dagen in de week als styliste in een bedrijf. Die commerciële ervaring heeft haar eindexamenproject beïnvloed. Het ontwerpen van zweverige, theatrale kleding had ze al afgeleerd, en daarom maakte ze een realistische, draagbare kindercollectie. Daarover werd door de docenten soms denigrerend gedaan, zegt ze nu. “Het moet tegenwoordig allemaal gek, maf en sprankelend zijn. Je moet niet vergeten dat je op een kunstacademie zit, werd er gezegd. Maar ik maak geen kleding voor de modeshow alleen. Ik ben een praktisch denker. Het is grappig dat ik daarmee anders ben, en reacties losmaak. Sommige docenten hebben daar moeite mee.”

Het evenwicht tussen kunst en commercie is vaak moeilijk te vinden. De Utrechtse mode-academie keek tot voor kort de vakwereld juist te veel naar de ogen, vindt Wim Ewals, docent mode-illustratie in Utrecht en Breda. “Er werd herhaaldelijk gevraagd: wat moeten we aanbieden, hoe moeten onze studenten zijn?”, zegt hij. “die tijd is nu voorbij. De werkelijkheid is dat de mode op zijn retour is. Er moet daarom een herwaardering komen in het onderwijs. Als je de vakwereld op een academie gaat nabootsen, wordt het een klinische toestand. Wat ik storend vond, was het feit dat we mensen afleverden die zogenaamd vakmatig waren. Maar als ze in de praktijk stonden, deden ze hun mond niet open. Daar had niemand wat aan. Een eigen inbreng kan soms chaotisch zijn, maar bij de botsing tussen die chaos en de praktijk komt er ten minste wel creativiteit vrij.”

Anders dan in Nederland lijkt in België de moeizame relatie tussen mode-academie en kledingindustrie beter georganiseerd. De fameuze modeacademie van Antwerpen neemt daarbij een belangrijke positie in. Geen wonder, vindt Ewals: “Antwerpen is dè opleiding die in België naam heeft en telt. Alle ogen zijn gericht op die academie. In Nederland zijn de opleidingen aan elkaar gewaagd, dus die maaien nogal eens gras voor elkaars voeten weg.”

Dat er te veel mode-academies in Nederland zijn, staat buiten kijf, daarover zijn de insiders het eens. Er zijn maar liefst dertien mode-afdelingen aan de Nederlandse kunstacademies. Daarnaast is er nog een wildgroei aan particuliere scholen en modevakopleidingen waar iedereen tegenwoordig als ontwerper kan afstuderen. Ontwerper is geen beschermd beroep. Een bezoek aan de Kamer van Koophandel is genoeg om je als zodanig te laten inschrijven.

Karel Bakker, docent ontwerpen in Utrecht en Groningen, ziet de toekomst dan ook niet rooskleurig tegemoet. De belangstelling voor mode is duidelijk aan het teruglopen, constateert hij somber. “De aanmeldingen worden de laatste jaren minder en de kwaliteit van de aanmelders laat steeds vaker te wensen over. Maar liefst 75% wordt tegenwoordig afgewezen. Daarbij komt dat mode niet meer leuk gevonden wordt. De interesse voor kunstacademies neemt in het algemeen af bij de jeugd, want kunstonderwijs betekent: geen goede plek in de maatschappij, dus geen goede baan.”

Rigoureuze bezuinigingen en een verkorting van de studieduur van vijf naar vier jaar zijn al aan deze ontwikkelingen voorafgegaan. Zo moesten her en der klassen worden samengevoegd en in Den Bosch werd de gehele mode-afdeling simpelweg afgestoten. Wim Ewals voegt daar aan toe dat “de knikkers de komende jaren mee gaan tellen”. Hij hamert er op dat iedere academie zich inhoudelijk meer moet profileren. Nu worden tussen de opleidingen bepaalde zaken onderling gestroomlijnd. De gemeenschappelijke show van de beste eindexamenkandidaten die de mode-academies in oktober voor pers en bedrijfsleven zullen organiseren, is daar een goed voorbeeld van. “Een eigen gezicht zou belangrijk moeten zijn, ” meent Ewals, “maar er heerst angst dat men zich dan uit de markt prijst. Door te kiezen voor een bepaalde benadering, is men bang studenten te verliezen. Maar ook voor de mode-academies zullen duidelijke keuzes onontkoombaar zijn, anders worden je van buitenaf dingen opgelegd. Zo kan ik me voorstellen dat de overheid straks beslist welke modeafdelingen blijven bestaan en welke niet. Omdat de academie's zich niet profileren, omdat ze allemaal hetzelfde aanbieden, ligt het voor de hand dat bijvoorbeeld de minister straks zegt: dat bepalen wij wel. En als het ambtelijk geregeld wordt, weet iedereen wel hoe dat afloopt.”

Het is waarschijnlijk ook geen toeval dat de eindexamenshows van de Nederlandse mode-academies dit jaar heel opvallend in het teken staan van de "armoede-look'. Anderzijds zijn rafelige broeken, gescheurde hemden en sobere ontwerpen een trend die de jonge (Antwerpse) couturier Martin Margiela in Parijs juist triomfen opleverden. In ieder geval wordt in de zuidelijke modelanden steeds vaker begerig naar de exponenten van de "noordelijke' academies gekeken. Uit noord-Europa komt kwaliteit en degelijkheid, zeggen ze.