Doornig

De geschiedenis bepaalt bij welke van haar acteurs de details belangrijk worden: Spinoza is er daar een van. Waar de invloed van zijn denken zo overweldigend is (de aarde telt thans reeds zeven wetenschappelijke "Spinoza societies'), wordt het de moeite waard geacht, ook aan relevante kleinigheden aandacht te schenken. Zij kunnen functioneren als kijkgaatjes die uitzicht bieden op een groots schouwspel. In dit stukje wil ik het hebben over zijn naam.

De orthografie is nogal wisselend. In akten en andere oude documenten van de familie vinden we de spelling "Espinosa' of "despinosa'. De Spaanse s wordt vervolgens in de Portugese uitspraak een z. Spinoza's eigen handtekening is dan ook "B.despinoza', zoals verschillende autografen van zijn brieven laten zien. Soms echter ondertekent hij met "Benedictus de Spinoza', wat hij kennelijk beschouwt als de correcte Latijnse vorm van zijn naam. Op het titelblad van het enige werk dat hij onder zijn eigen naam publiceerde, liet hij drukken: “per Benedictum de Spinoza Amstelodamensem”. In 1663 woonde hij overigens al drie jaar niet meer in Amsterdam, maar in Rijnsburg en Voorburg. Het voegwoord "de' verdween al spoedig in de heftige polemieken die na zijn dood rond zijn werk ontbrandden. De boosdoener werd door zijn vijanden kortweg "Spinoza' genoemd, zoals hij tot de dag van vandaag nog heet. Deze naam blijft echter een schending van de integriteit der oorspronkelijke vorm "de Spinoza'. Is dit niet symbolisch voor de afwijzing van althans een deel van zijn werk?

Op de herdenking ter gelegenheid van het 350ste jaar na zijn geboorte (in 1982) ontmoette ik een bekende collega-filosoof met de naam "Van Dooren' die zich naar mijn weten nooit intensief met Spinoza's werk had beziggehouden. Mijn verbazing werd weggenomen met de verklaring: “Ja, op de verjaardag van mijn grote naamgenoot kon ik toch niet ontbreken!” De etymologie van de naam wijst inderdaad naar de prikkelstruik. Het Franse equivalent is "des épines'. Vermoedelijk heeft Spinoza zelf deze relatie willen aanduiden met de roos in zijn lakzegel, aan welks stengel duidelijk ook enkele doornen zichtbaar zijn. Het bijgevoegde woord "caute' (wees voorzichtig, pas op) waarschuwt voor het gevaar van zijn denkbeelden.

Na de anonieme verschijning in 1670 van de Tractatus Theologico-Politicus waarop een storm van verontwaardiging losbrak, was de auteursnaam, hoewel spoedig bekend, toch geheel taboe vanwege het monsterachtige atheïsme dat men erin meende aan te treffen. Er ging een geroezemoes door het land, zelfs door Europa, met kwaadaardige toespelingen op de naam. Een weerlegging van de Utrechtse professor R. van Mansvelt (1674) begon met de woorden: “Wie de auteur van dit tractaat is weet ik niet en wil ik ook niet weten; het ware mij liever geweest dat hij nooit bestaan had dan dat hij bestond en ik hem kende.” Verderop in zijn boek lezen wij evenwel: “Na deze lange, walgelijke en doornige uitvluchten (spinosas ambages)...” waarmee hij te kennen gaf dat hij eerder een leugentje had verkocht. In Amsterdam waarschuwden de dichter Daniel Levi de Barrios en de rijke koopman Abraham Pereyra hun joods-orthodoxe geloofsgenoten in het Spaans voor de doornen (espinos) in het atheïstische kamp. De stekelige allusie op de doornigheid van Spinoza's werk is ook volop aanwezig in een smaadgedicht van Joachim Oudaen, die in 1683 over Spinoza dicht:

Die zo doortrapt en schalk zijn netten heeft gehangen, Word self er in verstrikt en blijft'er in gevangen. Nu scheyd hy met dien smook en 't krakende getier, Gebluscht en uitgebrand, gelijk een Doornen-vier. Indien zijn Mingenoot of Leerling iet geluste, Hy knaag den Doornestaf, waarop hy steunde en ruste.

Tot aan het einde van de eeuw kon men het niet laten, misbruik te maken van Spinoza's naam. Sebastian Kortholt schreef nog in 1700: “Van doornen (e spinis) kun je geen vijg of druif plukken. En op Spinoza... is het woord van de Verlosser van toepassing: en het zaad viel tussen de doornen (in spinas) en de doornen groeiden op en verstikten het.”

Een zekere theoloog, J. Melchior, haastte zich in 1670 naar de pers met een vlugschrift waarin hij de naam van de anonymus opzettelijk verhaspelde tot "Xinospa', schrijvende: “Xinospa is de vader van deze vrucht, wanneer men althans voor monsters een vader mag aanwijzen.” Het ging dus niet van harte. Alleen reeds het uitspreken van Spinoza's naam kon iemand besmetten met zijn ideeën of verdacht maken van sympathieën.

Hoewel niet ongevoelig voor de etymologische betekenis van zijn naam, is onze hoofdpersoon zelf toch minder geïnteresseerd in namen (alle woorden zijn volgens hem namen) dan in zaken. “Ik ben immers niet gewoon om over namen te twisten”, schreef hij in 1663 in de Cogitata Metaphysica, waaraan hij in de Ethica toevoegde: “Het is mijn instelling de natuur der zaken te verklaren in plaats van de betekenis van woorden.”

Het liefst zag hij zijn filosofie gepubliceerd zonder vermelding van zijn naam. Zijn vriend Jelles schreef in 1677, “dat hy, weinig tijts voor zijn overlijden, uitdrukkelijk begeert heeft dat men zijn naam niet voor zijn Zedekunst, die hy beval te doen drukken, zou stellen, zonder echter reden daar af te geven, de welke, naar onz oordeel, geen andere heeft geweest, dan dat hy niet gewilt heeft dat zijn wetenschap naar zijn naam genoemt zou worden”. Eerzucht, bij ons met naamsbekendheid geassocieerd, was hem vreemd.

De vrienden die zijn werk uitgaven, hebben een tussenweg gekozen en B.D.S. op het titelblad van de Opera Posthuma geplaatst. Helaas is ook dit verkeerd, want op de afdruk van zijn zegelring staat de S in spiegelbeeld weergegeven, hetgeen zonder twijfel een bedoeling heeft. Welke? Een prikkeltje, een signaal dat we hem toch altijd van de verkeerde kant zien?