Dierproeven blijven nodig - maar wel steeds minder

In zijn artikel "Dierproeven blijven noodzakelijk' laat prof.dr. G.J. Mulder (11 juni) zich nogal kritisch uit over de mogelijkheden om toxicologische risico's van chemicaliën te bepalen zonder dierproeven. Hij stelt dat er vele optimisten zijn die een veel te hoog gespannen verwachting hebben van in vitro toetsen.

Laat ik voorop stellen dat Mulder gelijk heeft als hij zegt dat we nog lang niet zo ver zijn dat we een toxicologische risico-evaluatie kunnen maken zonder dierproeven. In de eerste plaats is het uitvoeren van dierproeven een wettelijke eis. Er zijn dus juridische belemmeringen voor het invoeren van dierproef-vrije methoden. Voortdurend blijkt dat het veranderen van wettelijke regelingen veel tijd en overredingskracht kost.

In de tweede plaats zijn momenteel nog voor lang niet alle toepassingen goede alternatieven voorhanden, die het geïntegreerde systeem van een intact organisme voldoende nabootsen. (Het is overigens de vraag of een dierproef wel altijd een goed beeld geeft van de carcinogene risico's die mensen lopen als ze blootgesteld worden aan bepaalde stoffen. Er zijn enkele stoffen die niet of niet op de zelfde wijze carcinogeen zijn in een dierproef en wel bij de mens zoals benzeen; andersom komt ook voor zoals stoffen die de vetspiegels in bloed verlagen en enkele weekmakers in plastics.)

Dat neemt niet weg dat er wel degelijk nu al een plaats is voor in vitro methoden in de toxicologische risico-beoordeling. Want het is van belang om te weten waarom stoffen carcinogeen zijn, met andere woorden wat het mechanisme van toxische werking is. Als dat bekend is, kan ook begrepen worden waarom een stof in de ene diersoort wel werkt en in de andere niet. Juist hier kan een scala van methoden worden toegepast, óók in de risico-evaluatie van een stof. Het in vitro werk is bepaald niet alleen van belang voor het zogenaamde fundamentele onderzoek, maar kan dus wel degelijk goed gebruikt worden in het toegepaste toxiciteitsonderzoek.

Zo heeft de Ames-test zijn sporen verdiend, óók in de toegepaste sfeer. Fabrikanten van stoffen die bijvoorbeeld als geneesmiddel of als bestrijdingsmiddel bedoeld zijn, voeren deze en andere toetsen uit als zogenaamde pré-screening van stoffen die wel of niet in aanmerking komen voor verder onderzoek. Als een stof dus in een of meer van deze toetsen mutageen blijkt te zijn, dan zal de verdere ontwikkeling van deze stof meestal niet plaatsvinden. In de praktijk betekent dit dat op deze stof dus geen dierproeven meer worden uitgevoerd, voorwaar een enorme besparing van dierproeven!

Het feit dat een stof soms "ten onrechte' als mutageen wordt aangemerkt - de zogenaamde vals-positieven - wordt wel als een nadeel beschouwd, immers een mogelijk waardevolle stof wordt niet verder ontwikkeld. Ook hier pleit ik voor toetsen die zo veel mogelijk inzicht geven in de werking van stoffen, zodat we begrijpen waarom de screening soms niet goed werkt.

Er zijn enkele toetsen die zich nu al lenen voor toepassing in de toxicologische risico-beoordeling, bij voorbeeld de oogirritatietest. Hierbij worden stoffen in de ogen van levende konijnen gebracht. Ter vervanging hiervan zijn nu al enkele "gevalideerde' methoden beschikbaar, gebruikmakend van runder- of kippe-ogen afkomstig uit slachthuizen. Naar mijn mening is het dan ook ethisch onaanvaardbaar dat deze test nog uitgevoerd wordt bij levende konijnen.

Vooral in het vergelijken van diersoorten kan belangrijk in vitro werk gedaan worden, juist om het begrip van de verschillen tussen soorten te vergroten. Zo zouden resultaten verkregen met celcultures afkomstig van de rat vergeleken kunnen worden met die van de mens. Proeven met menselijke cellen zijn daarom van groot belang. Deze celsystemen zijn echter niet altijd voorhanden, ook hier liggen ethische belemmeringen.

Toegegeven, we zijn er nog lang niet - we weten nog niet genoeg van de waarde van in vitro toetsen. Maar geldt dit niet evenzeer voor veel van de dierproeven? Er zijn pessimisten die stellen dat de veiligheid van stoffen niet volledig gegarandeerd kan worden door het doen van welk onderzoek dan ook, ook niet met dierproeven. Wat werkelijk veilig is zal - zo menen zij - toch steeds in de praktijk van het dagelijks gebruik van stoffen moeten blijken.

De praktijk is echter anders, er zijn maar een paar gevallen bekend van stoffen waarbij het onderzoek de plank volledig heeft misgeslagen. Desondanks moeten we steeds blijven streven naar verbetering van de voorspellende waarde van het onderzoek. Dat daarin een plaats is voor in vitro methoden is evident.

Hoewel ik de beperkingen van in vitro methoden niet wil onderschatten, behoor ik die optimisten die een veel grotere rol voor dierproefvrije methoden voorstaan. We zullen ons continu af moeten vragen, wat de beste methoden zijn om een verantwoorde risico-beoordeling te maken. Naar mijn mening gaat het hierbij niet zozeer om een keuze tussen óf dierproeven óf in vitro toetsen, maar om een voortdurend zoeken naar de beste methode.

Voorlopig zullen we het met een combinatie van toetsen moeten doen. Wellicht dat de dierproef steeds vaker als laatste test kan worden uitgevoerd, waarbij het in vitro onderzoek ons al met enige zekerheid kan aangeven dat toxische effecten in de dierproef niet of nauwelijks zullen optreden. Een soort laatste vangnet dus, om de veiligheid van stoffen te toetsen, niet de toxiciteit.