Dierproeven

Het is beslist geen slechte zaak dat G.J. Mulder het wellicht wat al te grote optimisme over de bruikbaarheid van dierproefvrije in vitro testsystemen tempert (W&O 11 juni).

Het is echter erg jammer dat in zijn artikel de indruk gewekt wordt dat met behulp van dierproeven wél een betrouwbaar beeld van de veiligheid van een bepaalde stof verkregen kan worden. Een kritische kanttekening is daarbij op z'n plaats, want in het verleden is meerdere malen gebleken dat een produkt dat getest is op dieren, zeker nog geen veilig produkt is.

Het bekendste voorbeeld is wel Thalidomide, in Nederland bekend onder de merknaam Softenon. Uitgebreide tests van het middel op zwangere honden, katten, ratten, apen, hamsters en kippen brachten in het geheel geen misvormingen aan het licht. Van recentere datum is het schandaal rond Ophren, een als "wondermiddel tegen artritis' omschreven medicijn dat in Groot-Brittannië na 61 sterfgevallen in aller ijl uit de handel gehaald werd. Ook Practolol (tegen hartklachten) en Zipeprol (een anti-hoestmiddel) leken veilig na tests op dieren, maar bleken dat allerminst te zijn.

Talloze collega's van de heer Mulder hebben al toegegeven dat de bruikbaarheid van gegevens verkregen met behulp van dierproeven, uiterst gering is. Op grond daarvan alleen al kan men zich afvragen of dierproeven wel zo noodzakelijk zijn als Mulder beweert. Buiten beschouwing laten we dan maar de vraag of het ethisch verantwoord is om honderden apen, honden, katten en konijnen over de kling te jagen, enkel en alleen omdat de farmaceutische industrie het honderdduizendste medicijn tegen een bepaalde kwaal wil testen. Of omdat een waspoedergigant een wasmiddel met alweer een "vernieuwde formule' op de markt wil brengen.