Dierproeven (2)

In een bespreking van de reikwijdte van dierproefvrije testsystemen (W&O, 11/6) betoogt prof. Mulder mijns inziens terecht dat in vitro testen voorlopig geen werkelijke vervanging voor dierproeven bieden. ""Heeft dat in vitro onderzoek dan enig nut? De echte kracht van in vitro onderzoek zit vooralsnog in (...) fundamenteel en niet in toegepast onderzoek.'' In vitro technieken hebben een duidelijk nut voor het fundamentele onderzoek. Maar is dat ook het enige nut?

Voor het terugdringen van proefdiergebruik is niet alleen vervanging, maar zijn ook vermindering, en verfijning relevant. Het screenen van potentieel toxische stoffen in celcultures kan een duidelijke richting geven aan de daarop volgende tests in proefdieren. Dit vermindert het proefdiergebruik en maakt het overbodig als blijkt dat op cellulair niveau de stoffen al toxisch zijn.

Binnen ons onderzoek wordt gewerkt aan metabolisme van geneesmiddelen in de lever van koeien. Dit zijn geen genetisch gestandaardiseerde laboratoriumdieren zoals ratten en muizen, zodat resultaten in het ene individu sterk kunnen afwijken van die in het andere. Wil men onderlinge beïnvloeding van het metabolisme van gelijktijdig toegediende geneesmiddelen, hormonen, voedingscomponenten, enz. kunnen waarnemen, dan zal met grote groepen proefdieren moeten worden gewerkt om statistisch significante resultaten te boeken. Deels kan dit getest worden door gebruik te maken van cellen uit een operatief uit een slachtkoe gehaald stukje lever.

Vooraf testen in vitro en daardoor meer gericht experimenteren in vivo en het verminderen van problemen met inter-individuele variatie zijn in beide vormen van experimentele verfijning en zij kunnen het proefdiergebruik aanzienlijk verminderen. Dat betekent veelal ook een forse kostenbesparing.