De Waddenzee wordt weggegeven

De kokkel- en mosselvisserij in de Waddenzee is buitengewoon schadelijk voor het voortbestaan van de Waddenzee als natuurgebied. Dat blijkt uit een onderzoek uitgevoerd door het Instituut voor Bos- en Natuurbeheer (IBN-DLO) op Texel. De chronisch intensieve visserij zorgt continu voor verarming van het wad. In arme jaren wordt nagenoeg het hele bestand aan mossel- en kokkelbanken weggevist, waardoor vogels in dit internationaal belangrijke natuurgebied verhongeren.

Wil men de Waddenzee als natuurgebied in stand houden dan zou volgens de onderzoekers tenminste de helft van de Waddenzee voor mossel- en kokkelvisserij gesloten moeten worden. In november vorig jaar werd op de Nederlands-Duits-Deense ministersconferentie in het Deense Esbjerg afgesproken grote delen van het Nederlandse wad voor de mossel- en kokkelvisserij te zullen sluiten. In Duitsland is de schelpdiervisserij sinds maart van dit jaar verboden, in Denemarken zijn mechanische kokkelvisserij en mosselcultuur verboden, terwijl de mosselvisserij op platen gereguleerd is. Ondanks de overeenkomst in Esbjerg bleef Nederland aarzelen.

De Natuurbeschermingsraad adviseerde eind vorig jaar om 70 procent van het gebied te sluiten. Maar in de Structuurnota Zee- en Kustvisserij, die onlangs naar de Tweede Kamer en naar diverse adviesorganen is verstuurd, komen minister Bukman en staatssecretaris Gabor niet verder dan 15 tot 20 procent.

Uit het nu gepresenteerde onderzoek blijkt, dat jonge mossel- en kokkelbanken door de intensieve visserij, waarbij de bodem voortdurend beschadigd wordt, de kans niet meer krijgen om uit te groeien. Zelfs mosselbanken die ten behoeve van het onderzoek gesloten waren, werden door mosselvissers handmatig kaalgeplukt, iets waartegen de Visserijwet geen verweer biedt. Met het verdwijnen van de laatste oude mosselbanken is volgens de biologen een zeer karakteristiek Waddenzeebiotoop verloren gegaan.

Kleine kokkeltjes

Mosselbanken zijn rijk aan algen, wormen, krabben, zeeanemonen enzovoorts en trekken daarom hele zwermen wulpen, tureluurs en steenlopers aan, die deze organismen eten. De mossels zelf worden, net als kokkels, gegeten door scholekster en eidereend, terwijl kleine kokkeltjes en mosselbroed onmisbaar zijn als voedsel voor de kanoetstrandloper. Tezamen hebben eidereend en scholekster in de Waddenzee ongeveer 60 miljoen kilo kokkels plus 50 miljoen kilo mossels per jaar nodig (versgewicht). Deze hoeveelheden zijn in dezelfde orde van grootte als door de vissers worden afgevoerd. Het grote verschil is volgens het IBN-rapport, dat de vissers hun oogst in korte tijd binnenhalen aan het eind van het groeiseizoen, terwijl de vogels het hele jaar door eten van prooien die anders grotendeels een andere natuurlijke dood gestorven zouden zijn. Kokkels worden van nature niet ouder dan een jaar of vijf.

Alternatieven zijn schaars. Eidereenden, die bij gebrek aan mossels overschakelen op krabben raken sterk genfecteerd met parasieten, scholeksters hebben helemaal geen keus. Beide soorten zullen op den duur uit de Waddenzee verdwijnen als ze daar niet aan de kost kunnen komen.

Geen kokkelbroed

Sinds begin jaren zeventig is de gemechaniseerde kokkelvisserij sterk toegenomen. Het aantal vergunningen is in 1974 bevroren op 36, maar door vergroting van de capaciteit en verbetering van de vangstefficiency nemen de vangsten voortdurend toe. De kokkelstand in de Waddenzee wisselt nogal van jaar tot jaar, maar bij een gemiddelde stand van 50 miljoen kilo, waarvan een derde in bevisbare banken, zou een jaarlijkse "oogst' van 6 miljoen kilo acceptabel moeten zijn, met een aanvoerwaarde van ongeveer 4 gulden per kilo.

Eind 1991 echter was er in de hele Waddenzee nog maar 4 miljoen kilo kokkels over. Sinds 1988 is, bij gebrek aan volwassen kokkels, geen kokkelbroed meer gevallen, waardoor voor de vogels grote voedseltekorten zijn ontstaan. Sterfte onder eidereenden en slechte broedresultaten onder scholeksters waren het gevolg. De minister stelde daarom voor om een deel van de Waddenzee voor visserij te sluiten, maar na protest van de visserijsector gaf de Raad van State de vissers toestemming om overal te vissen. Hierbij werden ook de kokkels van de zogenaamde ecoplots weggevist die onderzoekers van Natuur, Milieu en Faunabeheer en Rijkswaterstaat in het kader van hun monitorprogramma's hadden uitgezet.

Door de kokkelvisserij worden ook de laatste nog resterende zeegrasvelden, kraamkamers voor jonge vissen, weggevaagd. Waar op kokkels wordt gevist, komt zeegras in het Nederlandse wad nauwelijks meer voor, terwijl het in Duitsland en Denemarken op vergelijkbare plaatsen zonder kokkelvisserij wèl volop aanwezig is.

Moederkokkel

""Ik ben er geen tegenstander van om sommige stukken Waddenzee voor de visserij te sluiten, als rustgebied voor zeehonden of voor onderzoek'', zegt Jacob Nadema, die samen met zijn zoon een handkokkelvisserijbedrijf heeft in het Friese Witmarsum. ""Maar in sommige diepere gedeelten liggen zoveel kokkels dat de vogels die nooit allemaal weg kunnen halen. Als je daar niet vist krijg je, net zoals in Duitse visreservaten, een extreme verkalking van de bodem. Lege schelpen hopen zich op en daar groeit niks meer.''

Het uitblijven van kokkelbroed in de Waddenzee wijt Nadema niet aan overbevissing op de volwassen moederkokkels, maar aan andere natuurlijke oorzaken. Volgens Nadema hoeft de moederkokkel niet in de Waddenzee zelf te liggen. Veel van het jonge broed wordt, met het blote oog nog nauwelijks zichtbaar, met de stromingen meegevoerd uit diepere delen van de Noordzee en bezinkt in ondiep water. Dit jaar schijnt de zaadval weer goed te zijn.

In de handkokkelvisserij zijn nog 40 mensen werkzaam, ze vissen met een beugel bij opkomend en afgaand tij, op 20 tot 80 centimeter diepte. De afgelopen twee jaar mochten ze niet vissen. ""We doen wat aan botvisserij'', zegt Nadema, ""maar daar heb je je bedrijf toch niet voor?''