De Samburu's verdwijnen met het vee

WAMBA, 24 JUNI. Luidruchtig huppelen honderd geiten en schapen bij zonsondergang de boma (kraal) binnen. Dit is de uitgedunde bankrekening van de Samburu. Dit veehoudende volk in Noord-Kenia beschikt over niets anders van materiële waarde. Hun onderkomens zijn gebouwd van koeiemest, de omheining rond de boma is van doorntakken, hun kledij een simpele doek en hun keukengerei bestaat uit een kalebas en een aluminium pan die op het houtvuur wordt geplaatst. Lezen en schrijven kunnen de meesten niet. Het leven van de Samburu's, hun cultuur en hun economie, draait om vee. En wanneer het vee verdwijnt, zoals nu door de droogte, dan verdwijnen de Samburu's.

Busuke (grootmoeder) en twee jonge meisjes hurken ieder achter een geit, een dun straaltje melk schiet uit de verdroogde uiers in de kalebassen. “Voor een kopje thee vanavond”, zegt Busuke. Dagenlang is dat kopje thee met vette melk haar enige maaltijd. Haar lichaam is, net als van het vee, broodmager. Koeien, die zijn er niet meer. “Daar, bij die bergen, daar hebben de krijgers de koeien heengebracht, in de hoop er nog wat gras aan te treffen.” Zij wijst over een landschap waarin grauwe kleuren overheersen. In de onbereikbare toppen van de bomen vallen de laatste stukjes vers groen op.

In de rokerige Samburu-woning - een soort tropische iglo - kookt Busuke thee voor een groepje mannen. “Ja, natuurlijk hebben we al eerder ernstige droogten meegemaakt”, vertelt zij. “Ik weet niet waarom het dit keer erger is. Misschien omdat er vroeger ook in het droge seizoen nog weleens een buitje viel.”

Busuke is oud, zij kent het harde leven van de bush. Over het moderne bestaan, die wereld van waterkranen, ziekenhuizen, auto's, salaris en inflatie weet zij alleen van horen zeggen. Zij voelt zich beschermd door de communale levensinstelling van de Samburu's. De vraag: “Hoe zou de regering u in deze crisis kunnen helpen?”, brengt een uitdrukking van verbazing op haar gezicht. Wie is de regering en waarom zou zij ons helpen? “Het ontbreekt ons aan water en voedsel”, zegt zij uiteindelijk. En dan: “Als we maar samen kunnen sterven.” In de levensvisie van de Samburu - hun trots en de aanvaarding van de grilligheden der natuur - kun je niet om aalmoezen vragen.

De wereld van de Samburu stort langzaam in elkaar. “De levenskennis van de Samburu bleek altijd voldoende voor een goed bestaan”, zegt een veeteeltdeskundige in het noordelijke stadje Isiolo, “maar deze kennis, die van generatie op generatie ging, voldoet niet meer. Door overbevolking - er zijn te veel mensen en te veel koeien - raakt de pastorale economie ontwricht. Er vond in Noord-Kenia in de laatste twintig jaar vrijwel geen enkele ontwikkeling voor de veehouders plaats. Er is vrijwel niets gedaan aan opleiding en er is niet gewerkt aan het creëren van een modern milieubewustzijn.”

De honger in Noord-Kenia - anderhalf miljoen mensen, onder wie een half miljoen vluchtelingen uit buurlanden, hebben urgent voedselhulp nodig - is een gevolg van onderontwikkeling die door de droogte pas goed aan het licht is gekomen. “De donoren hebben veel geld gestoken in het opzetten van een systeem om tijdig de droogten en voedseltekorten te kunnen onderkennen”, zegt de veeteeltexpert met een cynische ondertoon. “Maar wat schoten de veehouders daarmee op? Je hoeft een nomade echt niet te vertellen wanneer er een droogte aankomt.”

In het woeste, semi-woestijn-achtige Noord-Kenia wonen naast de Samburu's de Rendile, de Somaliërs, de Borana, de Gabra en de Turkana. Allen zijn zij veehouders, sommigen nomadisch. Hun ontvruchtbare woongebied leent zich niet voor landbouw, dus leven ze van wat hun vee levert: melk, bloed, vlees, urine en huiden. Ook na de onafhankelijkheid bleef hun gebied marginaal; zij werden niet bij de nationale economie betrokken. In Noord-Kenia is nauwelijks sprake van een infrastructuur, er is zelfs geen modern abattoir.

“Wanneer er in Isiolo een slachthuis had gestaan, konden we het vee dat onherroepelijk gaat sterven, inblikken”, zegt de veeteeltexpert, “dan hadden de Samburu's over reserves beschikt. Wanneer hun nieuwe vaardigheden waren aangeleerd, zoals leerbewerking of het aftappen van gom, hadden ze nu geld gehad om maïsmeel te kopen.”

Waarom worden in heel Afrika - uitgezonderd misschien Botswana - de veehouders en de nomaden vergeten? Waarom wordt in de nationale ontwikkelingsplannen altijd de nadruk gelegd op de agrarische sector? “Je zou kunnen zeggen dat in Kenia eigenlijk maar twee stammen bestaan, de landbouwers en de veehouders”, analyseert de veeteeltdeskundige. De landbouwers hebben de macht, zij investeren in de toekomst, hún toekomst. Het ontbreekt de regeerders aan de visie van de nomade. “Een voorwaarde voor een beter en efficiënt landgebruik door de bevolking van Noord-Kenia is hun landrechten te verlenen”, vervolgt de veeteeltexpert. “Maar de ambtenaren in Nairobi vertellen het mij openlijk: zij willen de Samburu's niet hun eigen grond geven want zij willen die grond zelf kopen.”

De jongere generaties van de Samburu's beginnen de gevaren voor hun samenleving te zien. In tegenstelling tot enkele jaren geleden zien de meesten de noodzaak van verandering in. “Vroeger hadden we de regeerders niet nodig, we konden voor ons zelf zorgen. Als jullie ons willen helpen om niet te sterven, zijn we dankbaar”, legt Oledip uit. “Die jongens in het verre Nairobi kennen we niet, maar wel de overheid hier. We moeten met hen een plan gaan uitwerken om te voorkomen dat de wereld ten onder gaat.”

Hoewel velen inmiddels het nut van onderwijs inzien, gaat er de twintig teenagers in de boma bij het stadje Wamba slechts één naar school, op twee uur lopen afstand. Die ene jongen werd vorige week naar het koele Nairobi gestuurd, met alleen zijn doek, zonder onderbroek, zonder sokken en op schoenen gesneden van oude autobanden. In de hoofdstad moet hij als nachtwaker wat inkomen zien te vergaren, want geld is er niet in de boma. En de prijzen van maïsmeel en suiker blijven stijgen.

Rond de districtshoofdplaats Maralal wordt de crisis in de Samburu-samenleving het duidelijkst zichtbaar. De eeuwenoude gezagsstructuren, waarbij iedere leeftijdsgroep en sekse zijn eigen rechten en plichten heeft, beginnen te vervagen. “Wij treffen de ouderen veelal 's ochtends vroeg al dronken aan in de boma”, vertelt een buitenlandse geestelijke, werkzaam in Maralal. “De ouderen raken hun gezag kwijt, want jongeren trekken naar de stad en zelfs sommige meisjes gaan tegenwoordig naar school en worden wijzer dan hun ongeletterde echtgenoten. Ze raken de greep op hun samenleving kwijt.”

Buitenstaanders trekken het gebied rond Maralal binnen, beginnen er winkeltjes en kopen land. De hoogste districtsbestuurder, een buitenstaander, verklaarde vorige maand nog dat er geen sprake is van honger in Samburu-gebied. De Keniase president Moi vroeg pas vorige week het Westen om voedselhulp voor de hongerigen in het noorden van het land. Eind vorig jaar begonnen in het gebied de eerste koeien te sterven. Sindsdien zijn overal in deze eindeloze vlakten honderden nomaden gestorven, vooral Somaliërs. In de overheidsburelen van de hoofdstad Nairobi is het tot vorige week niemand opgevallen.