De Alva-bijbel: een christelijk boek geschreven door joden

Vijfhonderdzeventig jaar geleden kreeg rabbi Moses Arragel in Maqueda (Castilië) een opdracht die hij liever aan zijn studeerkamer voorbij had laten gaan. Luis de Guzman, grootmeester van de Orde van Calatrava, verzocht de geleerde om een vertaling te maken van het Oude Testament in het Spaans, voorzien van een commentaar volgens de joodse traditie en rijk geïllustreerd met miniaturen volgens christelijk recept.

Moses Arragel voorzag dat daar moeilijkheden van zouden komen. Voor je het wist werd het rabbijnse commentaar als ketters ervaren en stond de joodse gemeenschap in Spanje aan nieuwe aanvallen bloot. De eerste vijfentwintig foliovellen van het handschrift dat acht jaar later gereed kwam bevatten dan ook de bezwaren van de rabbi tegen de opdracht. Maar ook de antwoorden van Don Luis, die uiteindelijk natuurlijk toch zijn zin kreeg. Het is nog altijd niet eenvoudig om weerstand te bieden aan de gecombineerde macht van kerk en staat. In 1422 was het volstrekt onmogelijk.

Zo ontstond één van de meest curieuze handschriften uit de late middeleeuwen: een boekwerk van 513 foliovellen met 334 schitterende miniaturen, een combinatie van joodse kennis en christelijk vernuft, dat tegenwoordig bewaard wordt in een band die volgens Arabische tradities is gemaakt. Niet alleen het commentaar volgt de opvattingen van joodse schriftgeleerden, ook de illustraties zijn volgens hun ideëen gemaakt. Zo slaat Kaïn zijn broer Abel niet dood, maar bijt hij hem de keel af, zoals in de Zohar beschreven staat. Een pagina-grote afbeelding toont Luis de Guzman gezeten op de troon van koning Salomon met voor hem, geknield, Moses Arragel die het voltooide manuscript aanbiedt.

Druk met oorlog voeren

In werkelijkheid heeft de opdrachtgever het boek nooit in ontvangst genomen, want in 1430 had hij het veel te druk met oorlog voeren. Het handschrift werd geconfisceerd door kerkelijke censors, die het lieten bestuderen in Toledo en Salamanca en tenslotte, jaren later, weer in Toledo, waar zelfs een openbaar debat werd gehouden waarin theologen, edellieden, joden en arabieren hun standpunten naar voren konden brengen. In 1492 werd de laatste Moorse koning in Spanje verslagen en moesten de joden het land verlaten of christen worden. Pas in 1622 duikt het boek opnieuw op, in de bibliotheek van de hertogen van Alva. Daar ligt het nog steeds, als topstuk in een collectie die toch al heel wat belangwekkende documenten bevat. De tekeningen voor forten en versterkingen in de Nederlanden die de ijzeren hertog door Italiaanse architecten liet vervaardigen, worden er bijvoorbeeld nog bewaard.

Wie een afspraak weet te maken voor een bezoek aan het Palacio de Liria in Madrid, krijgt twee bladzijden van de "Alva-bijbel' te zien, want het boek ligt opengeslagen in een vitrine.

Facsimile uitgave

De Nederlandse codicoloog Adriaan Keller heeft er vorig jaar drie maanden dagelijks in mogen bladeren, toen hij een wetenschappelijke beschrijving maakte ter gelegenheid van de eerste facsimile uitgave van het manuscript. Dat was uitzonderlijk, want de Alva's zijn doorgaans nogal gesteld op hun privacy en wanneer de hertogin een bad neemt is dat nu eenmaal duidelijk te horen in de bibliotheek.

""Het is het rijkste handschrift dat ik ooit zelf onder ogen heb gehad,'' zegt Keller, die zich zo min mogelijk heeft laten afleiden door het huiselijk verkeer van de edellieden. Hij heeft de opdracht gekregen omdat hij één van de weinige deskundigen is, die zowel latijnse, hebreeuwse als arabische handschriften heeft bestudeerd.

""In het algemeen zijn arabisten, classici en joodse wetenschappers in hun eigen wereld bezig. Ze publiceren ook hoogst zelden in elkaars tijdschriften. Zelfs in Spanje, waar het toch eigenlijk hard nodig zou zijn, wordt de vergelijkende codicologie nauwelijks beoefend.''

Codicologie is de studie van de fysieke kenmerken van een boek, van de manier waarop het gemaakt is. In het middeleeuwse Spanje, waar drie verschillende culturen samenleefden, kan het een belangrijke hulp zijn bij het beantwoorden van de vraag welke manier van denken en doen op welke plek en op welk tijdstip dominant is geweest. Wanneer christenen Arabische aantekeningen maken in de marge van latijnse teksten kan dat immers betekenen dat zij onder hun arabische overheersers toch de klassieke cultuur bewaarden, maar evengoed dat zij, hoewel levend onder christelijk gezag, zich het best in het arabisch uitdrukten. Er zijn trouwens nog wel ingewikkelder combinaties bewaard gebleven: arabische teksten geschreven in hebreeuws schrift, Spaanse boeken in arabische lettertekens en Spaanse aantekeningen in hebreeuwse teksten.

Niet op hulplijnen

Volgens Keller geven het schrijfmateriaal, het papier, de manier waarop de vellen zijn samengevoegd en andere voor het lekenoog nauwelijks zichtbare eigenschappen een veel betere indicatie voor de herkomst van een tekst dan de taal waarin zij is gesteld. ""Hebreeuwse handschriften maken deel uit van dezelfde materiële cultuur als andere handschriften uit dezelfde streek, zelfs wanneer de religieuze achtergrond en de taal verschilt. Een grote vergelijkende studie van materialen en technieken zou aan de andere kant best kunnen uitwijzen dat handschriften in een zelfde schrift uit heel verschillende delen van de wereld afkomstig zijn.''

In het geval van de Alva-bijbel ontdekte Keller dat de letters niet op de hulplijnen zijn geschreven, maar eronder hangen. Hij heeft dit verschijnsel niet eerder in Spaanse of Latijnse handschriften gezien, maar wel in Hebreeuwse teksten afkomstig van het Iberisch schiereiland. Het is dus waarschijnlijk dat joodse schrijvers, joodse ambachtslieden betrokken zijn geweest bij de vervaardiging van het definitieve manuscript.

Keller neigt ertoe om de boektechniek belangrijker te vinden dan de tekst of de afbeeldingen als het gaat om het vaststellen van het tijdperk waarin een handschrift is ontstaan. Ooit kwam hij naar Spanje om er visigothische manuscripten te bestuderen. Inmiddels woont hij al vele jaren in Toledo en is ervan overtuigd geraakt dat de meeste teksten die in het visigothisch zijn overgeleverd veel later zijn opgeschreven en dus afkomstig zijn uit een andere cultuur. Iets dergelijks geldt trouwens voor motieven in de beeldende kunst. Dat Kaïn de hals van Abel doorbijt is niet alleen te zien op een plaatje in de Alva-bijbel, maar ook op het koor in de kathedraal van Toledo. Betekent dit, dat joodse kunstenaars hier aan het werk zijn geweest? Of was de christelijke cultuur op dat moment sterk verjoodst?

""De studie van de technieken die bij het maken van een boek worden gebruikt brengt de verschillende religies dichter bijeen, terwijl de inhoud van de boeken meestal de verschillen benadrukt,'' schrijft Keller in zijn toelichting. Hij trekt daaruit overigens geen hooggestemde conclusies over de aard van de Spaanse samenleving vóór 1492. Luis de Guzman vroeg een rabbi voor zijn vertaalproject omdat er nu eenmaal niemand beter in staat was om het uit te voeren. Dat is nog geen bewijs voor een belangrijke koerswijziging ten gunste van de Spaanse joden aan het begin van de vijftiende eeuw, zoals andere onderzoekers beweren. Hoogstens betekent het, dat het culturele klimaat nog een zekere uitwisseling van gedachten toestond in die tijd. Ook moslims in de christelijke gebieden vertaalden destijds nog islamitische teksten in het Spaans, zodat hun nieuwe heersers er kennis van konden nemen.

Pas in 1992 zou de Alva-bijbel politieke betekenis krijgen. Het initiatief voor de facsimile-uitgave (prijs: ruim vijftigduizend gulden) is namelijk genomen door het internationale joodse comité Sefarad '92. Dit comité stelt in de aanbiedingsfolder dat de bijbel ""een symbool van hoop had kunnen worden voor die joden en christenen die, voor het tragische einde van de joodse aanwezigheid in middeleeuws Spanje, de joods-christelijke relaties probeerden te verbeteren. Hun pogingen faalden en de groeiende tegenstellingen monden uit in de Verbanning van 1492. Van nu af aan zal het manuscript, destijds veronachtzaamd en waarschijnlijk zelfs niet ingebonden, in staat zijn de rol te spelen waarvoor het was bedoeld.''

Als gezegd: het lijkt onwaarschijnlijk dat Luis de Guzman een politieke rol in gedachten had voor het boek dat hij bestelde. Niettemin laat de voorzitter van Sefarad '92, de Spaans-joodse zakenman Mauricio Hatchwell Toledano, zich in de aanbiedingstekst met deze ""krachtige leider'' vergelijken en hoopt hij dat de heruitgave zal bijdragen aan het herstel van een klimaat van tolerantie in Spanje. Hatchwell Toledano verwachtte, dat koning Juan Carlos dit jaar formeel het decreet zou intrekken waarmee zijn voorgangers Ferdinand en Isabella vijfhonderd jaar geleden de uittocht van de joden bevalen. De koning heeft het eerste exemplaar van het facsimile echter beleefd aangenomen, maar zich niet verplicht gevoeld tot meer dan een woord van de dank aan de makers. Waarmee de geschiedenis niet is gecorrigeerd, maar zich totzover slechts heeft herhaald.

De facsimile van de Alva-bijbel is in 500 exemplaren uitgegeven door Michael en Linda Falter, 40 Hamilton Terrace, London.