Ziektepremie kan hooguit met enkele procenten omlaag

DEN HAAG, 24 JUNI. De particuliere ziektekostenpremies kunnen met slechts enkele procenten omlaag. In tegenstelling tot wat staatssecretaris Simons (volksgezondheid) heeft beweerd, hebben de particuliere verzekeraars financiële voordelen in de afgelopen jaren wel voldoende doorberekend in de premies die verzekerden voor hun polissen betalen.

Dat blijkt uit een rapport van de Algemene Rekenkamer naar de ontwikkeling van de kosten en de premies in de gezondheidszorg, dat vandaag naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Het Rekenkamer-rapport is het resultaat van een onafhankelijk onderzoek van vijf maanden, uitgevoerd op verzoek van de bewindsman en de overkoepelende organisatie van particuliere ziektekostenverzekeraars, het KLOZ. Zij verschilden na de jaarwisseling stevig van mening over de vraag of en in hoeverre de particuliere ziektekostenpremies konden worden verlaagd. Eind januari schakelden zij de particuliere bureaus Berenschot en Moret, Ernst & Young in. De Rekenkamer controleerde hun bevindingen en deed aanvullende berekeningen. Simons sprak begin dit jaar van een mogelijke premieverlaging van 30 procent. Korte tijd later stelde hij zijn verwachting bij tot 15 procent. De meeste particuliere verzekeraars zagen geen enkele mogelijkheid om hun premies te verlagen, enkele verlaagden hun premies variërend van ruwweg 5 tot 20 procent.

In de periode 1988-1991 zijn de premie-inkomsten van de particuliere ziektekostenverzekeringen waarvoor verzekeraars risico lopen met ongeveer 10 procent gedaald. Daar staat tegenover dat de schade per verzekerde in diezelfde periode met 9 procent is afgenomen.

Omdat verzekeraars vanaf 1 januari dit jaar geen geneesmiddelen hoeven te vergoeden - dat gebeurt sindsdien uit het fonds van de AWBZ - is hun schade per verzekerde gedaald met ten minste 14 procent, aldus de Rekenkamer. Hierbij komt nog maximaal 1 à 2 procent in verband met bijkomende effecten. In totaal hebben de verzekeraars dit jaar een meevaller van 15 á 16 procent. Zij verwachten dat de kosten van de zorg dit jaar met 5,8 procent zullen oplopen. Wanneer dat in mindering wordt gebracht op de meevaller van 15-16 procent, resteert een voordeel van 10 procent dat aan de verzekerden kan worden doorberekend. De Rekenkamer hield echter geen rekening met de rendementsontwikkeling bij de verzekeraars. Simons noemde eerder een rendement van 7 procent acceptabel, waarmee de mogelijke premiedaling op 3 procent komt.

Pag.2: WVC: kosten kunnen dalen

Het ministerie van WVC verwacht dit jaar een kostendaling per verzekerde van 0,6 procent. Rekening houdend met de rendementsontwikkeling bij de verzekeraars zou volgens WVC een premiedaling van nog geen 10 procent mogelijk zijn.

WVC is volgens de Rekenkamer wat positiever over de kostenontwikkeling omdat het ministerie verwacht dat beleidswensen snel tot resultaat zullen leiden, aldus de Rekenkamer. Het gaat daarbij vooral om de kosten van medisch-specialistische hulp en van ziekenhuizen.

Het KLOZ wijst er op dat zij de kostenstijging voor dit jaar met 5,8 procent al betrekkelijk laag heeft geraamd. Bekend is dat WVC de kosten van de zorg jaar na jaar te laag raamt.

WVC en KLOZ hebben het rapport van de Rekenkamer maandag gezamenlijk besproken. Vanmiddag zouden ze één verklaring uitgeven over de uitkomst van dat overleg.

Over de omslagbijdrage die alle particulier verzekerden betalen, de WTZ-omslag van 414 gulden per volwassene per jaar, is volgens de Rekenkamer nog een aantal vragen onbeantwoord. Deze bijdrage moet worden betaald om polissen te betalen waarop mensen recht hebben die een relatief hoge ziektekostenpremie betalen, zoals bejaarden en studenten. Deze polissen zijn niet kostendekkend: verzekeraars slaan de verliezen om over alle particuliere verzekerden. Tot en met 1991 behaalden de verzekeraars een voordeel van maximaal 101 miljoen gulden. De Rekenkamer laat zich echter niet uit over een mogelijke verlaging van de WTZ-bijdrage.