Zege Rabin laat Syrië koud; Syriërs willen wel graag einde van de oorlogstoestand

DAMASCUS, 24 JUNI. Het was vanochtend veel te vroeg voor de Syrische regering en haar spreekbuizen om de Israelische verkiezingsuitslag van welk commentaar dan ook te voorzien. De kranten gaven slechts in korte berichtjes de eerste prognoses door van de internationale persbureaus in “bezet Jeruzalem”, dat de Arbeidspartij een grote overwinning had geboekt.

Men wacht nu eerst op het oordeel van president Hafez al-Assad. Hij zal dat pas geven na overleg met zijn naaste omgeving. Dat kan geruime tijd duren omdat de president uiterst voorzichtig en discreet opereert. “Hij is zeer wijs”, zeggen zelfs zijn politieke tegenstanders hier in Damascus - deels omdat zij dat moeten zeggen (de president is onaantastbaar, vlak onder God), deels ook omdat zij dat menen.

Uit de eerste privé-reacties van politiek geïnteresseerde personen valt echter op te maken dat de overwinning van Rabins Arbeidspartij niet als goed wordt beoordeeld, maar als het meest verkieslijke van alle kwaden. Want eigenlijk is iedereen het erover eens dat de verschillen tussen Rabin en Shamir bijna even groot zijn als die tussen lood en oud ijzer. Beiden hebben volgens de media “een oorlogsprogramma”. De partijkrant Al Ba'ath zei dat vanochtend ook met zoveel woorden.

Volgens de Engelstalige Syria Times, die gisteren nog eens “de zich opeenhopende daden van volkerenmoord en onderdrukking tegen de Palestijnen en hun intifadah” opsomde, heeft Israel zich “in de loop van de verkiezingscampagne gepresenteerd als een entiteit die tegen vrede is. De Israelische heersers en de kandidaten hebben openlijk uiting gegeven aan hun diepe haat tegen de Arabieren (..)

“De mensen vergissen zich, die denken dat Israel zijn politiek van bezetting, agressie en expansie opgeeft. Het verkiezingsprogramma dat gemeenschappelijk is goedgekeurd door het regerende Likud-blok onder Shamir en door de zogenaamde oppositiepartij onder leiding van Rabin, onderstreept opnieuw het neen tegen een Palestijnse staat en tegen de terugkeer naar de grenzen van 1967, en een duidelijk ja om door te gaan met de annexatie van bezet Jeruzalem en de Golan, en met de bouw van nieuwe nederzettingen in de bezette gebieden (..) Wie goed naar de verkiezingsprogramma's kijkt van de twee belangrijkste rivalen, moet wel tot de conclusie komen dat Israel vasthoudt aan zijn oorlogszuchtige en expansionistische politiek en aan de strategie van oorlog en overheersing. De komende Israelische regering - of die nu geleid wordt door de Arbeidspartij, Likud of door een coalitie - zal zeker deze sinistere politiek niet opgeven (..)”

Deze taal, die op last van het ministerie van voorlichting dagelijks in alle media verschijnt, lijkt op het eerste gezicht niets anders dan hetgeen men nu al meer dan veertig jaar verkondigt. Maar bij even doorvragen blijkt het merendeel van de bevolking wel degelijk vrede te willen. Misschien is het beter te zeggen dat men een eind van de oorlog wil. Niet omdat men Israel meer dan vroeger zou accepteren, maar omdat bijna iedereen inziet dat handhaving van de oorlogstoestand tot niets leidt en integendeel Syrië alleen maar naar de economische afgrond voert.

Zo vertelde een Syrische intellectueel die met een Palestijnse is getrouwd en Israel als een doorvretend kankergezwel ziet, hoe opgelucht hij was toen de regering besloot vredesonderhandelingen te beginnen. “Ik dacht: eindelijk, omdat ik mij al enige tijd gerealiseerd had - nadat ik de staatsuitgaven had gezien, die voor 70 procent naar defensie gaan - dat wij helemaal geen leger hebben maar uitsluitend veiligheidsdiensten die in naam van de oorlog opereren.” Voor deze man moet Israel voldoen aan minimumvoorwaarden: teruggave van de Golan en van de Palestijnse bezette gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem. Maar hij denkt niet dat Israel dat zal doen.

De bezoeker uit het Westen wordt dan ook voortdurend gevraagd: “Gelooft u dat Israel werkelijk vrede wil?” Het is - bizar genoeg - exact dezelfde vraag die men in Israel in 1978 aan buitenlandse journalisten stelde toen de vredesbesprekingen met Egypte zo moeizaam verliepen. Alleen met dit verschil dat de gemiddelde Syriër zich nu nog helemaal niet kan voorstellen dat Israeliërs als toeristen naar Syrië zouden komen of dat de Israelische vlag op een ambassade in Damascus openlijk zou worden getoond.

Algemeen verwacht men hier dat een eind aan de oorlogstoestand betere sociaal-economische omstandigheden voor de burgers en een veiliger bestaan tot gevolg zou hebben. Velen hopen dan ook dat die vrede er op den duur komt - met Rabin, met een ander, het doet er niet toe. Op voorwaarde dat Syrië zo'n vrede zonder concessies sluit, en niet het voorbeeld van Sadat en Mubarak volgt, maar zichzelf blijft: trots en Arabisch.