WW-premie stijgt bij dalende werkloosheid

Wat zijn prognoses waard als ze nooit uitkomen? Neem de voorspelling van de ontwikkeling van de werkloosheid door het Centraal Planbureau. Al jaren valt officiële werkloosheid stelselmatig lager uit dan de prognose.

Deze week werd bekend dat het CPB de werkloosheidsprognoses voor dit jaar en volgend jaar neerwaarts heeft bijgesteld. Werd enkele maanden geleden voor dit jaar nog een gemiddelde werkloosheid van 350.000 voorspelt, nu is de verwachting dat deze zich zal stabiliseren op 320.000, hetzelfde aantal als vorig jaar. En voor volgend jaar is de aanvankelijke voorspelling van 375.000 werklozen verlaagd tot 335.000.

Het CPB is er zelf niet van onderste boven. Het macro-economische model waarmee de voorspellingen worden gedaan is en blijft een model dat nooit een perfecte kopie van de werkelijkheid zal kunnen schetsen. Zo is de groei van met name deeltijdwerk onderschat, terwijl de groei van bijvoorbeeld de arbeidsproduktiviteit is overschat. Maar belangrijker is wellicht nog dat de werkloosheidsprognose het saldo is van voorspellingen omtrent de beroepsbevolking en de werkgelegenheid. Bij deze laatste twee grootheden gaat het om aantallen in de orde van grootte van 6 à 7 miljoen mensen en het CPB hoeft er dus maar een fractie naast te zitten om onder de streep op enkele tienduizenden werklozen meer of minder uit te komen.

Betekenen de lagere werkloosheidsprognoses dat het op de arbeidsmarkt beter gaat? Het antwoord luidt ondubbelzinnig nee. Alle indicatoren wijzen er nog steeds op dat de vertraagde economische groei van vorig jaar en dit jaar binnen afzienbare tijd ook leidt tot een omslag in de daling van de werkloosheid. Alleen, dat weerspiegelt zich (nog) niet in de zogenoemde "geregistreerde werkloosheid', het cijfer dat als officieel werkloosheidscijfer wordt gehanteerd. Volgens de jongste berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek ligt deze werkloosheid op 299.000 mensen (april). Dat is 15.000 minder dan in maart en 21.000 minder dan vorig jaar april.

De makke is echter dat deze geregistreerde werkloosheid de werkelijke werkloosheid vertekent. Want in de geregistreerde werkloosheid tellen alleen de werklozen mee die staan ingeschreven bij het arbeidsbureau voor een baan van meer dan 20 uur per week en die bovendien direct inzetbaar zijn. Dat is lang niet met alle werklozen het geval. Zo zijn werklozen van 57,5 jaar en ouder al enkele jaren niet meer verplicht zich in te laten schrijven, wat zij dan ook in de praktijk vrijwel nooit meer doen. Bovendien zijn er in het kader van allerlei regelingen vele tienduizenden werklozen bezig met om-, her- en bijscholingsprogramma's, waardoor zij niet direct inzetbaar zijn. Tenslotte is er een onbekend aantal deeltijd-werklozen.

Zuiverder is daarom te kijken naar het aantal personen met werkloosheidsuitkeringen. Dat aantal lag in het vierde kwartaal van het vorig jaar op gemiddeld 568.000. In het eerste kwartaal van dit jaar was het opgelopen tot 592.000, hetgeen voor het eerst sinds lange tijd ook een stijging betekende ten opzichte van dezelfde periode in het voorafgaande jaar. Nog niet spectaculair weliswaar (10.000 personen), maar toch.

Binnen deze indicator is sprake van twee tegengestelde bewegingen. Enerzijds is er al sinds het vierde kwartaal van 1990 sprake van een toename van het aantal (kortlopende) WW-uitkeringen, waarbij het stijgingstempo oploopt. Zo waren er in het eerste kwartaal van dit jaar 263.000 WW'ers, 32.000 meer dan in begin vorig jaar. Anderzijds is er sprake van een afname van het aantal (langlopende) RWW-uitkeringen. Dat waren er in het eerste kwartaal 312.000, 22.000 minder dan een jaar eerder. Deze trends verklaren de noodzaak de WW-premie te verhogen, zoals gisteren door de beheerders van de werkloosheidsfondsen werd voorgesteld.