Holbewoners

Het verschijnen van dieren hoeft niet ongewoon te zijn. We weten dat ze lopen, kruipen, vliegen en zwemmen, waarin ze zich onderscheiden van bomen. Ze begeven zich van de ene plaats naar de andere en daar verschijnen ze dan. Vaak zie je ze aankomen en dat maakt het helemaal gemakkelijk, wat we kunnen zien kunnen we begrijpen.

Moeilijker ligt het verschijnen van dieren die uit een hol komen. Dat heb je al met een specht. Telkens als een specht zijn hol verlaat, is het alsof hij kant en klaar ter wereld komt. En dan praat je nog over iets vrij overzichtelijks, iets dat bij daglicht en herhaling kan worden waargenomen, waardoor het raadselachtige algauw vermengd raakt met het komische.

Maar de das.

Het verschijnen van een das is een zeldzaamheid. Altijd in een schemertoestand en op een burcht met drie of vijf of wel acht uitgangen. Het lopen dat aan het verschijnen van een das voorafgaat is volstrekt ondoorgrondelijk.

De das verschijnt nog in de bijbelse zin van het woord. Als bij toverslag verandert een stuk bos zonder das in een stuk bos met das. Hij rijst op uit de grond en juist als we dat letterlijk moeten nemen, hebben we daar grote moeite mee.

In een hel verlichte wereld blijft de das duister. Hij herinnert aan de schimmen in onszelf. Dat kun je haten, daar kun je van houden.