Fraudebestrijding brandhout?

Een overheid die fraudeurs ongestraft laat ondergraaft de moraal van de nette mensen. Daarom wordt bij tijd en wijle de boodschap verkondigd dat fraudeurs strenger zullen worden aangepakt. Naarmate die boodschap vaker wordt herhaald, vervalt zij tot de geloofwaardigheid van het wasmiddel dat opeens weer een graadje witter kan wassen. Vorige week werd de boodschap opnieuw uitgedragen. Toen ging de Tweede Kamer met enkele bewindslieden in de slag over de fraudebestrijding. Voor VVD-Kamerlid Linschoten was de openingsstelling: "De praktijk van de fraudebestrijding in Nederland is nog steeds brandhout'.

Zijn we steeds voor de gek gehouden met de beloften voor een betere fraudebestrijding? Wat belastingfraude betreft, kun je dat niet stellen. De laatste tien jaar is er veel gesleuteld om de belastingwetten fraudebestendiger te maken. Dat lukt vrij aardig. Bovendien is de fiscus inmiddels beter toegerust om fraude te ontmaskeren. Belastingambtenaren mogen boetes opleggen om zo relatief kleine fraudeurs af te straffen; grotere fraudeurs komen voor de strafrechter. Tenminste, dat is het officiële beleid.

Maar dit laatste deel van het beleid is inderdaad brandhout. Dat blijkt uit het zogenaamde juniverslag van de Algemene Rekenkamer; het verscheen vlak na het Kamerdebat. Zou het verslag één dag eerder openbaar zijn geworden, dan hadden de parlementariërs geweten dat ze met bewindslieden debatteerden die niet alleen de greep missen op de belastingfraudeurs, maar ook op hun eigen ambtenaren. De Rekenkamer onthult namelijk dat zowel belastinginspecteurs als officieren van justitie zich niet houden aan de officiële regels voor aanmelding en vervolging van belastingontduikers. Het zijn vaak de persoonlijke voorkeuren van de betrokken ambtenaren die een fraudeur al dan niet voor de rechter brengen.

De Rekenkamer signaleert dat de bestuurders van grote ondernemingen relatief vaak een strafvervolging bespaard blijft. Als mogelijke verklaring oppert zij dat de inspecteurs "de relatie met de belastingplichtige niet in gevaar willen brengen'. Om verscheidene redenen wordt een derde deel van de voor vervolging in aanmerking komende zaken niet als strafzaak aangemeld. Anderzijds hebben de inspecteurs het extra gemunt op frauderende belastingadviseurs, ook al gaat het om gevallen die buiten de officiële vervolgingsnormen vallen. Voor vervolging aangemelde zaken verzanden vaak in het moeras van de rechterlijke macht, zonder dat het tot een rechtszitting komt.

Fraudeurs moeten niet te vroeg juichen. In de zaken die niet naar de strafrechter gaan, kunnen de inspecteurs immers zelfstandig zeer hoge boetes opleggen. Dat vinden zij trouwens vaak effectiever dan een normale strafvervolging. Overigens zijn de normen die de inspecteurs zelf hebben ontwikkeld, zo gek nog niet. In die "eigen' normen speelt bij voorbeeld een rol of men met het gefraudeerde geld een luxe leventje heeft geleid of er een noodlijdend bedrijf mee heeft gered. Ook de maatschappelijke voorbeeldfunctie wordt zwaar meegewogen.

De staatssecretaris van financiën gaat nu kijken of de normen van zijn ambtenaren beter zijn dat de regels die hij zelf heeft uitgevaardigd. Zo komt er misschien iets goeds voort uit deze ambtelijke muiterij. Die toont overigens haarfijn aan dat niet alleen de fraudeurs, maar ook de ambtenaren zich soms weinig gelegen laten liggen aan het in "Den Haag' zo mooi uitgedachte beleid. Dat is een belangrijk signaal, zowel voor de bewindslieden als voor de Tweede Kamer.

In het fraudedebat van vorige week waren kabinet en volksvertegenwoordiging zo eensgezind dat Linschoten over de minister Hirsch Ballin (justitie) zei: “Hij spreekt bijna geen woord uit waar ik het niet mee eens ben”. Maar het Kamerlid wees terecht op het verschil tussen theorie en praktijk waar niemand greep op heeft.

Kamer en minister zullen trouwens aan de zijlijn blijven staan, zolang de kern van het probleem zit bij de tijd die de rechterlijke macht aan fraudezaken wil besteden. De Rekenkamer is op een rechtbank gestuit die in het hele jaar 1992 voor het behandelen van fraudezaken niet meer dan twee dagen wil vrijmaken. Dat is natuurlijk veel te weinig. Minister Hirsch Ballin heeft de Rekenkamer evenwel laten weten dat hij geen directe invloed heeft op de werkverdeling van de rechterlijke macht. Dat maakt het tamelijk zinloos dat de Kamer in detail bepaalt in welke gevallen er wel of geen strafvervolging moet plaatshebben. Naar blijkt, heeft Justitie er de tijd noch de belangstelling voor. Linschoten hoort hoe de fraudeurs hard lachen: "Minister van justitie, sliep uit, ga nog maar een paar jaar door met die verhalen, wij gaan in de praktijk gewoon even door met frauderen'.

Fraudeurs, officieren van justitie, inspecteurs, ze gaan allemaal hun eigen gang. Dan moet er toch iets fout zitten. Aan een Kamerdebat over die fout hebben we meer behoefte dan aan een nieuw debat waarin met veel tam-tam weer eens vervolgingsnormen worden aangescherpt die buiten de vergaderzaal niet serieus worden genomen.