Emancipeert de dood?

Het toeval sloeg gisteren weer eens krachtig toe. Op één en de zelfde dag werd de eerste Credo Card - de drager wenst geen euthanasie - uitgereikt én kwam de rechtbank in Rotterdam tot ontslag van rechtsvervolging van twee artsen die een psychisch zwaar lijdende vrouw genoeg pillen voor zelfdoding hadden voorgeschreven. Twee kanten van de zelfde ontwikkeling.

Beide gebeurtenissen zijn van meer dan incidentele betekenis. De tegenstanders van abortus en euthanasie hebben tot nog toe op duidelijke wijze van hun opvattingen doen blijken. De in hun beleving van boven komende norm omtrent de heiligheid van het leven inspireert hen met grote stelligheid voor iedereen op aarde geldende verboden te eisen. De Credo Card kan het begin zijn van meer bescheidenheid.

Op de kaart, waarvan het Tweede-Kamerlid Van der Burg (CDA) en bisschop Bomers de eerste exemplaren in ontvangst namen, staat: “De drager van deze Credo Card is katholiek, vraagt bij levensgevaar geestelijke bijstand van een priester en verklaart nooit in te stemmen met actieve euthanasie”.

De kaart wordt in omloop gebracht door het Katholiek Nieuwsblad in 's Hertogenbosch en komt naar verwachting ook in andere Europese landen uit. Volgens het Kamerlid bewijst de kaart zijn nut als hij helpt euthanasie te voorkomen: “Ik draag hem om louter preventieve redenen”. Zoals een ander een papiertje met zijn bloedgroep meedraagt, een opsomming van bijzondere geneesmiddelen die hij gebruikt of een verklaring dat sommige lichaamsdelen na zijn dood voor de wetenschap of een medemens gebruikt mogen worden.

De gebruiker geeft in dit geval aan er geen prijs op te stellen dat zijn dood bewust naderbij gebracht wordt wanneer hij of zij in levensgevaar verkeert. De behandelende artsen en verpleegkundigen wordt verzocht daar rekening mee te houden. De Credo Card is niet normatief voor de rest van de wereld.

Dat is opmerkelijk, niet alleen omdat de missie-ijver aan dit initiatief ontbreekt. Want wat gebeurt er met een patiënt die zonder credo-verklaring op zak in levensgevaar komt? Meestal het zelfde als waar Van der Burg om vraagt. Zijn norm is in dit land goeddeels de algemene norm. Dat hij desondanks behoefte voelt aan het persoonlijk vastleggen van die norm geeft aan dat hij er niet zeker van is dat die norm algemeen blijft.

De rechtbank bevestigde hem gisteren terstond in dat vermoeden, maar dan oppervlakkig gezien. In werkelijkheid is er natuurlijk een kilometer afstand tussen de onverwacht in levensgevaar verkerende patiënt, die zich dankzij een Credo Card de al te barmhartige arts van het lijf houdt, en de vrouw in het Rotterdamse geval, die na jaren psychiatrie en verschrikkelijke zelfmoordpogingen in de gelegenheid werd gesteld haar uitdrukkelijke wens tot levensbeëindiging te volvoeren.

De vrouw was weliswaar geestesziek, maar naar het inzicht van de rechtbank in staat “vrijwillig, weloverwogen, dus ook kalm, helder en met goed inzicht en begrip voor haar eigen situatie, en duurzaam” te kennen te geven dat zij niet langer wilde leven. Ook aan de vereiste "noodsituatie' en "ondraaglijk lijden' was voldaan.

De huisarts en de psychiater “staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten, en daarbij er voor kiezend om gevolg te geven aan de wensen van hun patiënt, hebben een keuze gemaakt die objectief beschouwd en gelet op de bijzondere omstandigheden, redelijkerwijs als gerechtvaardigd is te achten.”

Met andere woorden: ook zonder Credo Card was er geen sprake van geweest dat deze mevrouw iets was aangedaan zonder haar herhaalde en uitdrukkelijke wilsuiting. Bovendien is hulp bij zelfdoding iets anders dan euthanasie.

Iedereen die zich, zoals in dit vonnis, op objectiviteit beroept begeeft zich op glad ijs, rechters niet uitgezonderd. Maar zij kunnen niet anders. Wie recht spreekt moet zijn eigen diepste overtuigingen zodanig in overeenstemming brengen met die van de miljoenen tegenstrijdige mensen buiten de rechtszaal dat "men' er vrede mee heeft. Een opdracht met een toenemend gebrek aan voor de hand liggende formules.

Wie wel en niet vrede met de uitspraak van gisteren zal hebben, valt wel enigszins te bedenken. Pater Koopmans en zijn regelmatige mede-demonstranten op het Binnenhof zien hun vermoeden van een duivelse ontwikkeling bevestigd. Anderen, die door ervaringen of persoonlijke instelling meer onder de indruk zijn van het diep-eenzame dal dat veel mensen doormoeten vóór zij mogen sterven, verwelkomen waarschijnlijk een uitspraak die geestelijk lijden - onder strenge voorwaarden - voor het eerst op één lijn stelt met lichamelijk lijden.

Het is een stap op een weg naar erkenning van het persoonlijk verdriet dat té algemene normen aan duizenden Nederlanders iedere dag opleggen. Nergens heb ik dat de laatste tijd beter verwoord gezien dan in een recente toespraak van de psychiater A. van Dantzig, die verkort is afgedrukt in het blad Cicero (Academisch Ziekenhuis Leiden, 15 juni 1992, nr. 11).

Hij wijst erop dat artsen nog altijd het opheffen van lichamelijk lijden als hun hoofddoel zien. In onze gezondheidszorg is het psychisch of maatschappelijk lijden onzichtbaar gemaakt, of komt pas in tweede instantie aan het licht, “als het de patiënt niet meer lukt als gehoorzaam lid van onze cultuur dat aspect van het lijden voor zich zelf te houden”.

Sterker dan de angst voor pijn of verminking, zegt Van Dantzig, is “de waarde erbij te horen, een geaccepteerd, en als het kan gewaardeerd lid te zijn van de groep waarvan men lid is”. Dat verklaart waarom soldaten het vijandelijk vuur tegemoet lopen, waarom geaborteerde vrouwen zich vroeger verschrikkelijk schuldig voelden en waarom “patiënten in een kankerziekenhuis zich zo voorbeeldig gedragen in plaats van hun ellende uit te schreeuwen”.

De emancipatie van het sterven, zoals Van Dantzig dat met enige aarzeling noemt, bestaat niet uit het vrijgeven ervan, niet uit het verwisselen van de heiligheid van het leven voor gelegaliseerde onverschilligheid. Hij pleit er alleen voor de dood (en de seksualiteit, maar daar gaat het hier niet om) uit de sfeer van Goed en Kwaad te halen.

Zo lang de norm is: "Sterven mag alleen als het vanzelf gaat', kunnen de nadelen van hulp bij sterven niet worden afgewogen tegen de nadelen van het steeds maar redden van het leven. Van Dantzig: “Het eindeloos doorbehandelen heeft alles te maken met het uit de weg gaan van de problemen die rijzen als men het sterven zou gaan zien als een volwaardig alternatief van de behandeling met aflopend nut”.