De VS van E.

"Het streven naar grotere eenheden' is in het Westen nu ongeveer sinds een halve eeuw als een deugd beschouwd. Had het anders gekund? Na de oorlog is de Marshallhulp gegeven aan een Europa dat in beginsel door de Amerikanen als eenheid werd behandeld. Onder Amerikaanse leiding is de NAVO de sterkste militaire eenheid uit de geschiedenis geworden. Dat was niet alleen de verdienste van Washington. Geconfronteerd met het "bondgenootschap' in de andere helft van Europa, dat militair, politiek en organisatorisch al veel meer een eenheid was voor het de naam Warschaupact kreeg, was het voor het Westen niet mogelijk een andere politiek te voeren.

Vrijwel iedere ontwikkeling in de techniek, lang niet alleen in de bewapening, heeft degenen die de besluiten namen geen andere keus gelaten dan het streven naar grotere eenheden voort te zetten. Ook in het bedrijfsleven zijn de kleinere door de grotere opgeslokt of hebben veel kleinen zich tot één grote verenigd, waarna veel andere kleinen dat voorbeeld hebben gevolgd. De noodzaak daarvan wordt over het algemeen ingezien, al kan de manier waarop het moet gebeuren tot korte, heftige drama's leiden. Op het ogenblik zien we hoe Dasa en Fokker moeizaam hun probleem oplossen.

Maar het blijft noodzakelijk. De geschiedenis van een halve eeuw heeft geleerd dat de partij die dat naliet of trager was op het gebied van integratie met schaalvergroting, daarmee het risico nam door de andere te worden opgeslokt. Het "streven naar grotere eenheden' was dus niet een deugd per axioma, maar een beredeneerde politiek die als iedere goede politiek de handhaving tot doel had van de eenheid uit naam waarvan zij werd gevoerd. Het economische, organisatorische en militaire denken in het Westen is doordrenkt van het besef dat "het streven naar grotere eenheden' een deugd is.

Zelden is kritiek overtuigend als die wordt ingegeven door niet meer dan een vooruitziende blik. Het publiek moet een mislukking geruime tijd duidelijk gedemonstreerd zien voor het wil geloven dat het niet gaat zoals de deskundigen het hadden beloofd.

Nog moeilijker is het een mislukking onder ogen te zien als die het gevolg is van een politiek waarmee tot dan toe redelijke resultaten waren behaald, of zelfs helemaal geen resultaten met dien verstande dat men daar geen last van had. Het moeilijkst is het zo'n mislukking te herkennen, als op ander gebied met ogenschijnlijk dezelfde politiek nog altijd iets goeds wordt bereikt.

Ongeveer in dit stadium van verwarring zijn we met de politieke eenwording van West-Europa aangeland. Geen wonder dat dit nu gebeurt. In de afgelopen drie jaar heeft zich het failliet voltrokken van de grootste centralistische staatkundige eenheid aller tijden en dit aanschouwelijker dan de bitterste kritiek had durven dromen. Even duidelijk is vervolgens gedemonstreerd welke bijverschijnselen zo'n gigantisch centralisme heeft veroorzaakt. Een bureaucratie van meer dan twintig miljoen ambtenaren, om te beginnen. Daarna, dat is een groot-Europese openbaring, heeft zich met volle kracht een oud, in Westerse ogen zelfs ouderwets nationalisme gedemonstreerd. Daarop waren wij, opgevoed met het besef dat integratie een deugd is en nationalisme tot bederf leidt, niet voorbereid.

Na drie jaar van praktijk uit de verte met dit nationalistisch réveil weten we er ons trouwens nog geen raad mee. Met overwegend machteloze verbazing zien we hoe de volken die in het voormalige Joegoslavië wonen dat land verwoesten. De achteloosheid geeft aan hoe gebrekkig het politieke mechaniek van "Europa' werkt (en niet minder dat van het Westen in zijn geheel) als het erop aankomt het belangrijkste te doen wat er nu te doen valt. De verbazing bewijst dat we niets begrijpen van het gereanimeerde nationalisme dat zo'n ouderwetse indruk maakt.

Is datgene wat de Denen door hun referendum hebben gedaan een vreedzame en gematigde manier om uit te drukken wat Kroaten enzovoorts, met militaire middelen hebben voortgezet? Nationalisme heeft zijn grote gebreken. In de loop van deze eeuw zijn we eraan gewend geraakt, die als dikwijls noodlottige ondeugden te gaan zien. Niettemin, het nationalisme als politieke kracht heeft het overleefd, ook in landen met een moderne politieke beschaving en gebrek aan bloeddorst als Denemarken. Dat alles dwingt tot een herijking van het belang dat we aan de nationale identiteit in een onomkeerbaar proces van technische en economische integratie moeten toekennen.

Zojuist is van verrassende kant een bijdrage geleverd. De heer A.H. Heineken, daartoe geïnspireerd door de Britse historicus Cyril Northcote Parkinson, heeft met steun van twee Nederlandse historici, H.L. Wesseling en H.W. van den Doel, een ontwerp gemaakt voor een Verenigde Staten van Europa (zie Achterpagina). Het is eerder een manifest dan een uitgewerkt plan. Zonder voorbij te gaan aan de organisatorische eisen die moderne bestuurlijke eenheden nu eenmaal stellen, menen ze dat een Europa, opgedeeld in 75 staten als administratieve eenheden, ieder met een eigen ruim gedefinieerde culturele identiteit, een vreedzamer, althans minder risicodragend geheel zou worden. De landkaart die dit manifest vergezelt, doet op het eerste gezicht wat denken aan een kaart uit een atlas van voor de Eerste Wereldoorlog. Maar sindsdien - nemen we aan - hebben de Europeanen veel omtrent de nadelen van centralisatie tot grotere eenheden geleerd. Wie weet is daardoor de tijd rijp voor de herontdekking van de handelbaarheid en de charme der kleinere.

Een manifest voor een Verenigd Europa van 75 staten kan geen kwaad als het een aansporing betekent om weer eens op een oorspronkelijke manier na te denken over vraagstukken die met het nu gebruikelijke nadenken kennelijk niet worden opgelost.