De schat onder het uilebord

'Het Geheim van ...' 'Raadselen rond ...' 'De Verdwenen ...'

Waar zijn toch de jongensboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en geillustreerd?

NRC Handelsblad laat dit fenomeen een zomer lang herleven. Deze week Theun de Vries.

Sake wist veel en ging bij ons door voor stille hoofdman. Wieger, de zoon van de smid, was vol energie als er iets moest worden uitgehaald, en ik, ik was gewoon Jelmer. Met z'n drieen waren wij iets, vooral in eigen ogen. Wij hadden al eens besloten, na de bonte, rumoerige dorpskermis, om zelf een draaimolen te maken, een plan waaraan wij veel tijd en moeite besteedden, en dat alleen door gebrek aan het nodige materiaal mislukte. Ook hadden wij al eens een hut willen bouwen in het oude veenbos, maar we kregen onenigheid over het model, en de hut kwam er niet. Er restte ons in ons laatste schooljaar nog een gedurfd en half misdadig plan. Wieger was er mee komen aandragen. Hij had zijn vader de smid en zijn oom Bouke horen spreken over een schat, die de mensenschuwe, bejaarde koemelker Wobbe Wobbes zou hebben verborgen.

“ Hij heeft destijds vast die weduwe op de Trewalje beroofd”, zei de een. En de ander: “Het is niet bewezen, Bouke, maar ik neem aan dat Wobbe er meer van weet.” “Waarom heeft ie er dan niet ruim van geleefd?” “Hij dorst natuurlijk niet laten merken dat ie de buit in handen had.” “En waar laat je zo'n zak vol rijksdaalders of gouden tientjes? Het ouwe mens, zeggen ze, had er kousen vol van.” “Ja, waar? De politie heeft nooit iets kunnen vinden, ook geen dader.”

Sake, Wieger en ik hielden krijgsraad op grond van dit afgeluisterd mannengesprek. Het armoedig bedrijfje van Wobbe twee melkkoeien, vier schapen, een geit en wat kippen bood met z'n bekrompen erfje weinig gelegenheid tot het verstoppen van schatten. De mestvaalt? Het kippenhok? De oude appelboom? Daar hadden natuurlijk voor ons anderen ook al gezocht of gegraven. Sake bleef diep nadenken. “Het moet in z'n huis zijn, dat geld”, dacht hij hardop. “In de schuur, in een holle balk?”, vroeg ik. Wieger smaalde: “Probeer jij maar eens een balk uit te hollen, je krijgt het hele dak bovenop je.” Ik riep: “Hij slaapt erop!” maar dat vonden de twee anderen belachelijk: dan was het geld overdag immers onbewaakt? Er gingen een paar dagen voorbij, maar Sake kwam met de oplossing: “Ik weet waar Wobbe de schat heeft verstopt. Onder het uilebord!”

Wieger en ik waren vol bewondering. Het uilebord, het staande driehoekige sierbord, geflankeerd door gebogen zwaanshalzen, hoog aan de voorplecht van de boerderijgevel, met een opening voor in en uitvliegende uilen... dat was het, dat moest het zijn, boven in de nok, achter de golle (hooivak), alleen bereikbaar over een waarschijnlijk stoffig vlierinkje. Aan zo'n plek dacht niemand. Niemand, behalve wij. Wieger begon alvast te fantaseren over wat hij met het geld zou doen. “Een bokkewagen kopen? met bok?” Bij mij sprak het geweten. “Mag je eigenlijk roof wel roven?” De makkers wezen de vraag verachtelijk van zich af. “Dan had Wobbe ze eerst maar niet moeten roven!”

Een ding was duidelijk: de schat kon niet anders dan van binnenuit benaderd worden. “En hoe komen we binnen?” Deze keer was ik het die met een krijgsplan kwam. “We laten ons insluiten. Het is al oktober, de dagen worden kort, als Wobbe zijn twee koeien melkt, glippen wij de schuur binnen en verstoppen ons in het hooi. Als Wobbe klaar is met melken proberen we van het hooi af op de vliering te raken.” “Ik neem uit de winkel van de smederij een zaklantaarn mee”, zei Wieger. “Zo'n nieuwerwets ding met batterij.”

We genoten enkele dagen dadenloos van het lokkend vooruitzicht dat ons rijkdom zou worden beschoren. Maar er moest iets gebeuren ook. Op een motterende, herfstige namiddag, toen het dorp er uitgestorven bij lag en alleen hier en daar een verlicht stalraam matig gloeide, beslopen we het erf van Wobbe Wobbes. Mijn hart klopte luider dan doorgaans, en ik meende ook bij mijn kameraden een lichte bangigheid te bespeuren. Wij glipten langs de blinde muur van het koemelkerijtje en luisterden lange tijd bij het deurtje in de schuurpoort. Vage geluiden van vee, een melkemmer, sloffende voetstappen... “Vooruit!”, bromde Wieger met zijn zaklantaarn in aanslag. We stonden in de schuur, die niet zo hoog en ruim als de meeste ons bekende, maar toch in haar grijsvlokkige duisternis hol en griezelig, ondanks de zoete, geruststellende geur van het hooi. “Klompen uit”, ried Sake, “tot we op het hooi zijn.” We trokken onze klompen uit, de lemen vloer was kil. Sake fluisterde: “Ik zie geen donder... Licht bij, Wieger. We moeten een ladder zoeken.” De lichtkegel van Wiegers batterijlampje speelde over de deel, belichtte een werkbank, gereedschap, een oud paardehoofdstel (had Wobbe vroeger een knol gehad?) en godlof een ladder. We waren er gelijktijdig bij. “Zachtjes, zachtjes”, waarschuwde Sake, toen ik de ladder met forse hand aangreep. We zetten gedrieen de zware ladder tegen het hooiblok, schrap op de lemen vloer. “Wieger het eerst”, besliste Sake. “Dan kan hij ons van bovenaf bijlichten.”

We waren binnen de kortste tijd boven op de golle. Het hooi geurde niet alleen zoet, het was ook stekelig en prikte door onze kleren. Ik morde van onbehagen, maar het zou erger worden. Ik hoorde met groeiende angst dat Sake vreemde geluiden door zijn neus begon te maken, het klonk als hi-ha-hi. Ook Wieger hoorde het; hij snauwde ingehouden: “Niet niezen, verdomme! Zakdoek voor je kop!” Sake zei met bibberstem: “Ik heb geen zakdoek.” Ik viste de mijne op en drukte ze Sake in de hand. Het was te laat. Hij snokte en niesde toen, niet een, maar twee, drie maal en niet zo zuinig ook.

Er volgde kille, lugubere stilte. Zelfs in de stal, schuin beneden ons, werd het akelig stil, op een lange koeiezucht na. “Wat nu?” fluisterde Wieger woedend. “W-wachten”, zei Sake met een snotstem, die mij liet vrezen dat hij nog eens tot de nies zou vervallen. “W-wachten en st-stil liggen.” We lagen stil en wachtten.

Er was geen twijfel mogelijk we waren ontdekt. En dat al voor wij de vliering, laat staan het uilebord hadden bereikt. In de schuur ging een binnendeur open, lauwe stallucht dampte binnen. De bejaarde, maar nog bitse stem van Wobbe Wobbes riep al: “Is er iemand?”

Wij hielden de mond stijf dicht. Wobbe ging nog eens naar de stal en kwam terug met een lantaarn. Het schijnsel speelde zoekend door de schuur en bleef op de ladder rusten. Stommerds die wij waren! We hadden die ladder moeten inhalen! Nog eens klonk de stem van Wobbe, dreigend nu: “Werda!” een eigenaardig woord, dat mij er aan herinnerde dat Wobbe ook nog een oud-soldaat was. De oude man zette de lantaarn op de werkbank en haalde toen met wat hortende, maar doeltreffende bewegingen de ladder weg. Daarna riep hij “Als daar iemand boven is vreet hooi, en bereid je voor op het einde!”

We zagen hoe Wobbe van onder de werkbank een lang, zwart voorwerp haalde. “Allejezus”, fluisterde Wieger, wiens gebruikelijke moed vervlogen leek. “Hij heeft een buks.”

Een buks was het, een kraaienpaffer, een ouderwets vuurwapen dat alleen goed genoeg was om roeken en spreeuwen uit de boomgaard te jagen. Wij verstijfden toen we zagen hoe Wobbe dat oude schietroer tegen zijn schouders zette, de loop over de nok van de schuur richtte en een schot loste. Er gierde hagel over ons hoofd en kletterde hard tegen de bovenbinten. Wieger slaakte een vormloze kreet. Sake niesde nog eens en riep met dubbel genepen neusgeluid: “Ik geef mij over!”

Wobbe lachte schor en boosaardig. “Dat is je geraden... Maar wie voor de duvel ben je? Zo te zien nog een groentje?”

Ik besloot de overgave te versnellen. “We zijn met z'n drieen, Wobbe Sake, Wieger en ik Jelmer van het posthuis...”

“Welverdomd!”, zei Wobbe. “Ik ken jullie niet, geboefte maar wat doen jullie op mijn hooiblok?”

Niemand van ons dacht nog aan de vermeende schat onder het uilebord. Sake, listiger dan Wieger en ik, nam weer het woord: “We kwamen om te kijken of hier uilen of vleermuizen nestelen... Meester Ter Woude zei dat uilen en vleermuizen vaak nestelen in oude huizingen... en die van u is de oudste in het dorp.”

“Uilen en vleermuizen!” schamperde de oude man. “Wou je me verlakken, jongens?” Hij gaf een stamp met zijn buks op de deel. “Kom van dat hooi af, vee van Laban, en vertel me de waarheid!”

Hij zette de ladder tegen het hooi en wij daalden af. Hij hield ons onder schot, onze ruggen tegen de werkbank. Sake probeerde het nog een keer met het uilen-en-vleermuizenverhaal, maar onderbrak zichzelf bij Wobbe's honend lachje. “Zeg jij het maar, Wieger.”

Wieger humde wat, maar hij moest over de brug komen. In bange bewoordingen vertelde hij van het gesprek tussen zijn vader en zijn oom dat hij had afgeluisterd en dat ons op de gedachte had gebracht bij Wobbe in te breken.

De uitwerking was verbijsterend. Wobbe wankelde een ogenblik op de been en greep zich vast aan een draagbalk. De buks ontviel zijn handen. Hij zei, nu met gebroken stem: “Nog altijd dat leugenverhaal!” en voor wij er op verdacht waren, sloeg hij de knookhanden voor het gezicht en begon te janken. “Hoe lang moet ik daar nog onder lijden?”

Wij stonden daar, schuldig en dodelijk verlegen. Toen zei Sake half binnensmonds: “Kom. vlug. We smeren 'em. Naar buiten!”

We vluchten het koemelkerijtje uit, tot we hijgend moesten blijven staan. Sake stiet een grimmige vloek uit; zijn woede richtte zich tegen Wieger, en ik begreep ze en deelde ze. “Jij jij met je schatverhaal! Leugenverhaal heeft de ouwe het genoemd!” Wieger verweerde zich: “Misschien speelt ie alleen maar komedie!” “Hij heeft gejankt!”, riep ik. “Dat was toch echt! Er was helemaal geen schat! En Wobbe Wobbes heeft helemaal niks geroofd!”

We zwegen en drentelden huiswaarts. We gingen met een korte groet uit elkaar. Toen ik het zandpaadje naar het ouderlijk huis insloeg, in het vertrouwde vooruitzicht van lamplicht, bevriende gezichten en een gedekte avonddis, kreeg ik opeens zelf tranen in mijn ogen. Vervloekt! Had Wobbe Wobbes maar niet gehuild! Ik bleef staan, niet wetend wat ik tegen mijn ouders moest zeggen, en boordevol van ongekend verdriet.