"Al zijn we uitschot, ze hoeven ons niet te slaan'

ROTTERDAM, 24 JUNI. “Uitschot is het”, zegt de kleine Surinamer fel. “De mariniers”, vraagt een omstander. “Nee, de mensen hier.” Hij wijst op de blanke en zwarte verslaafden die om hem heen staan. “Sommigen hier zijn gek, weet je wel”, legt hij uit. “Die hebben geen hersens en die steken elkaar.” De omstanders knikken begrijpend. “Maar”, zegt de Surinamer, “daarom hoeven ze ons toch niet in elkaar te slaan. Die mariniers moeten toch beter weten?”

Een lange, blanke jongen die pas onlangs aan de drugs is geraakt, vertelt hoe hij de mariniers tekeer zag gaan. “Met zijn negenen stonden ze op die jongen in te hakken.” Een tanige jongen zegt dat de mariniers blij mogen zijn dat hij er maandagavond niet was. “Dat bedoel ik”, zegt de kleine Surinamer. “Straks gaat eentje steken ofzo, weet je wel. En dan hebben wij het weer gedaan!”

De zon schijnt fel op de spiegelende kantoren langs het plein voor het station. Mensen in t-shirt zitten voor het Centraal Station. De haringkar doet goede zaken. Maar blij is de verkoper niet. “Ze zijn altijd aan het vechten”, klaagt hij. “Iedereen heeft hier een mes op zak.” Achter hem spat, als op afspraak, een pilsfles op het trottoir kapot. De visboer krimpt ineen.

Op het Rotterdamse station is de bijna-veldslag tussen junks en mariniers, maandagnacht, nog lang niet uitgewoed. Een Engels sprekende gebruikster haalt een zwarte jongen uit de keet naast het station. Samen gebruiken ze wat coke van een zilverpapiertje. “Hij is ook in elkaar geslagen”, zegt ze en wijst op zijn hoofdwond. Hij knikt en snuift. “Bij de Feyenoord-rellen”, zegt hij. “Sorry”, verontschuldigt de Engelse zich, die dacht dat hij door de mariniers was gepakt. Luttele seconden later onstaat tussen haar en degene die hun de coke geleverd heeft een handgemeen. “That was rotzooi, Yussuf!” Yussuf haalt uit.

De mensen uit de provincie moeten zich rotschrikken als ze hier komen, denkt een lokettiste. Concrete overlast kan een baliemedewerkster van het NS-reisbureau zich niet voor de geest halen. Ja, ze helpt weleens een klant en die ziet ze dan schrikken wanneer iemand gillend door de gang loopt. “Als ze spul nodig hebben, willen ze wel gaan schreeuwen. Wordt het echt te erg dan roepen we de spoorwegpolitie.”

Of het station het visitekaartje van de stad Rotterdam is? De man van de spoorwegpolitie tuit zijn lippen en trekt zijn schouders op. Tja, als je in Amsterdam verkeerd uitstapt, sta je opeens tussen de heroïne-prostituées. En in Den Haag bevindt het Hollands Spoor zich ook op steenworp afstand van de hoerenbuurt. Om het even waar je bent vind je prostitutie, drugsgebruik en zakkenrollerij. Alleen de verhoudingen zijn anders. “Amsterdam verhoudt zich tot Rotterdam als de Bijenkorf tot de Hema.” In Amsterdam heb je pierementen voor het station en andere muziek, dat soort vertier heb je in Rotterdam niet.

Pag.3: Zakkenrollerij aan de orde van de dag

Zakkenrollerij is aan de orde van de dag op het centraal station. Een taxichauffeur beschrijft de mosterd-truc. Iemand spuit voorbijgangers terloops mosterd op hun jas en veegt dan hulpvaardig de "vogelpoep' weg. Ondertussen verlost zijn maat het slachtoffer van zijn geld en waardepapieren.

Taxichauffeurs zelf hebben volgens hem nauwelijks te duchten van de gebruikers. “Laatst schopte er eentje tegen een taxi. Ik weet niet waar ze vandaan kwamen, maar opeens sloegen zes chauffeurs op hem in. De een met een rubberen pijp, de ander met een knuppeltje.”

“Voor mij mogen ze morgen terugkomen”, zegt een andere taxichauffeur strijdlustig, doelend op de mariniers. “En als ze klaar zijn, rijd ik ze gratis terug naar de kazerne”, vult de derde aan. Een van de twee Molukse jongens die langslopen roept: “Doodschieten, die taxichauffeurs!” Maar de mannen hebben een vrachtje en kijken niet om.

Niet ver van de grote draaideur van het Nationale Nederlanden-gebouw tilt een jongeman een herenfiets-met-hangslot omhoog langs een houten paaltje. Zonder zich om zijn omgeving te bekommeren inspecteert hij het slot. Hij is blijkbaar niet tevreden, want hij zet het rijwiel even verderop neer en probeert een andere fiets. Als de agent in burger zijn hand zachtjes op zijn schouder legt kijkt hij niet op of om. De politieman fluit op zijn vingers en er komt een busje aanrijden. De jongeman kent het ritueel: soepel springt hij op de achterbank.

Vanuit de hal van Nationale-Nederlanden kijkt bewaker M. Sol hoofdschuddend toe. Hoewel het gebouw naast "Perron 0' ligt, komen de gebruikers de glazen hal niet binnen, zegt de man van de Nederlandse Veiligheidsdienst. “Het valt ons voor tweehonderd procent mee. Een of twee keer in de week komt hier een junk binnenlopen. Die vragen we dan of hij weer naar buiten gaat.” De raad van bestuur van het verzekeringsconcern zei onlangs bij de opening van 's lands hoogste kantoorgebouw nog dat de “junks banger zijn voor ons dan wij voor hen”. De imposante hal glimt te veel en er zijn te weinig nisjes en hoekjes waarin een gebruiker zich tijdelijk kan terugtrekken. “Zelfs gewone mensen weten niet eens dat de begane grond openbaar is”, zegt Sol.

Heel anders ligt dat aan de overkant van het plein, bij het Groothandelsgebouw. De hier gevestigde bedrijven maken zich ernstig zorgen over de toename van het aantal junks. Hoewel pal naast het gebouw speciaal een politiepost is ingericht om de toeloop van gebruikers in goede banen te leiden, is de overlast soms ondraaglijk, zegt een medewerker van café Engels. En dan te bedenken dat het de gemeente heeft behaagd Perron 0 naar deze zijde van het station te verplaatsen wegens de ruimte en het directe toezicht van de politie. Bezoekers op het terras voor het gebouw krijgen nu al bij elke kop koffie ongevraagd bezoek. Meestal bedelt de gast om een paar kwartjes, soms om een tientje voor een goed telefoongesprek. “Binnen komen ze ook. Dan willen ze een sinaasappel of een glas water”, zegt de barman.

Bewaker Sol, die regelmatig zijn rondjes maakt in de gangen van het oude Groothandelsgebouw, loopt vaak drie of vier keer per nacht langs een ingegooide ruit. “Dan nemen ze een fax mee ofzo. Dat zal straks niet minder worden als Perron 0 hiernaast komt zitten.”

In de stationshal maken geüniformeerde beveiligingsbeambten zich ondertussen op voor de avondspits. Her en der manen ze mensen aan de toonbanken voor de loketten niet als zitplaats te gebruiken. “Of de spanning nu is toegenomen”, vraagt de bewaker zich af. “Daar merk ik niets van.” Een al wat oudere reiziger baant zich met een vermoeide blik op het gelaat een weg naar de metro. De trap in de stationshal - daar ziet hij altijd het meest tegenop. “Het is een kwestie van doorlopen. Niet te snel want dan val je op. Niet opkijken, want dan val je ook op. Doen alsof je een duidelijk doel voor ogen hebt.”