Vriendschap is een illusie Maatstaf 1992/5. De ...

Vriendschap is een illusie Maatstaf 1992/5. De Arbeiderspers, 80 blz. ƒ15

Literair sterven De Gids 1992/5. Meulenhoff, 85 blz. ƒ14,90

Ruzie fnuikt schrijven Black Flash, 2de jrg. nr. 2. 31 blz. ƒ10. SMAU, 030-340979.

Vriendschap is een illusie

O Dood, ik ben verlegen met onze vriendschap

die ons beiden plotseling is opgedrongen.

Maatstaf publiceert de allerlaatste gedichten van Thomas Graftdijk. Hij vertaalde onder anderen Thomas Mann, Canetti, Hesse en Peter Sloterdijk, voor hij in februari op 42-jarige leeftijd in Italië overleed, direct na de zware vertaalklus met Oriana Fallaci's roman Insjallah.

O Dood, ik zal je wijsheid missen,

de rustige glimlach waarmee je het ondenkbare

aan mij voltrekt.

Ik heb je altijd een bondgenoot gewaand.

Maar nu onze kennismaking een feit is,

ben ik vergeten waarom.

Geerten Meijsing herdenkt zijn vriend, "cynische hond' Graftdijk, en zichzelf: “Hij heeft mij dus in de steek gelaten, en ik kan niet anders dan hem dat kwalijk nemen. Je kon eigenlijk nooit op hem rekenen, want mijn problemen waren de zijne niet en een man staat er alleen voor. Vriendschap is een illusie, net als dit wakende bestaan waarin men slechts kan dromen dat er dingen zijn die je kunt delen. Wij hebben mooie dromen gekoesterd, over toekomst, vrouwen, kinderen en schrijverschap - zo lang wij droomden kon ons niets gebeuren. (-) We sloegen op elkaar als een tang op een varken.”

Jan Kostwinder schrijft in dit nummer ook over een literaire vriend; Rogi Wieg, die "de gevoeligheid van Hans Lodeizen met het raffinement van Wilfred Smit' combineerde. Vroeger dus, want nu is de poëzie van Wieg volgens Kostwinder lelijk, quasi poëtisch, kitscherig, vaag, vormeloos, nietszeggend, bombastisch, slordig, would be-diepzinnig, pretentieuze prietpraat - “Wieg dicht niet meer, hij teut.” Kostwinder moet zich wel erg bedrogen voelen om zulke woorden te kiezen.

Andere dichters in dit nummer zijn Hester Knibbe, Jaap Harten, Anton Ent, en Aart Walch kort en mooi over een paard: “Onbegrijpelijk vreemd en groot. Niet zomaar/ iets anders, maar werkelijk het andere zelf.”

In het portfolio, gewijd aan Bram van Velde, zet Erik Slagter de schaarse uitspraken van de schilder "qui ne peut se servir des mots' op een rijtje. Ze werden door vrienden verzameld en bewaard als waren het zeldzame kostbaarheden. “'t Is zwaar en vermoeiend om uit het anonieme leven te treden; dat verklaart waarom de massa zich tevreden stelt met een anoniem leven.”

Maatstaf 1992/5. De Arbeiderspers, 80 blz. ƒ15

Literair sterven

De deelredactie "Buitenlandse literatuur' van De Gids komt weer eens met een boeiend onderwerp: onsterfelijke sterfscènes. Mr, Tom en Maggie Tulliver van Eliot; Couperus' Bassianus/Helegabalus/Antoninus; Osewoudt; Vader Goriot bij De Balzac; Lowry's Geoffrey Firmin; Toergenjevs Bazarov; Franse dames van Manon Lescaut, Julie, Mme de Merteuil, Mme de Tourvel tot en met Justine; John Donne zelf; Clorinda van Tasso en Monteverdi; Don Quichot; Chingachgook en de hond Hashish - het zijn bekenden die in De Gids hun zoveelste dood sterven. En wie ontbreken er wel niet allemaal! Alle Duitsers, om te beginnen. Redacteur Klaus Siegel verkoos bij deze gelegenheid een Indianenverhaal uit de Duitse vertaling in 258 delen van James Fenimore Cooper.

Wat zou het moeilijkst voor een schrijver zijn, een goede vrijscène schrijven of een (niet vlugge) sterfscène? Met sterven valt voor de meeste mensen weinig ervaring op te doen, ook als toeschouwer welteverstaan, maar toch wordt er in de literatuur vaak overtuigend en aangrijpend overleden.

“Zijn roman is één grote sterfscène” - zegt Graa Boomsma over Under the Volcano (1947), en dat gevoel wekt niet alleen Malcolm Lowry's boek.

Arabist-islamoloog J.J.G. ("Hans') Jansen vraagt zich in het openingsartikel af of de propaganda van islamitische fundamentalisten op moslims evenveel invloed heeft als op angstige, westerse niet-gelovigen. Het levendige nationalisme in het Midden-Oosten - “de invloedrijkste politieke ideologie” - is veel gevaarlijker dan het "islamisme' volgens Jansen, alleen het verbieden van religieuze politieke bewegingen kan funeste gevolgen hebben. “Democratie heeft in het Arabische taalgebied een slechte naam gekregen, met name doordat Engelse tanks in 1942 in Egypte een democratisch systeem afdwongen”, zo verklaart hij een deel van het probleem. “Bovendien zijn in de Arabische vertalingen van Hitlers Mein Kampf de anti-Arabische passages niet meevertaald.”

In dit nummer schrijft E.M. Barth over logica, en interviewt Michiel van Kempen in Suriname de dichter Michaël Slory. “Ik heb zelf een neef bij een bus zitten, die zegt me: ach, al schrijf je duizend mooie gedichten in het Sranantongo, in Suriname ga je nog geen vrouw vinden.” Hij dicht veel, en graag over vrouwen en de liefde: “De parfums/ van de varens/ om je buik, mijn geliefde.” Slory (1935) veranderde in zijn leven verschillende keren van taal - weinig favorabel voor een dichter. Sinds de decembermoorden in 1982 schrijft hij niet meer in het Sranantongo. Via een uitgave in het Nederlands (In de Knipscheer) probeert hij in Suriname erkenning te krijgen.

De Gids 1992/5. Meulenhoff, 85 blz. ƒ14,90

Ruzie fnuikt schrijven

Black Flash had het interview van Van Kempen met Michaël Slory goed kunnen gebruiken. Of het fragment uit Paul Marlee's nieuwe roman Ara dat ook in De Gids staat. Dit nog jonge tijdschrift van de Stichting Multiculturele Activiteiten Utrecht zit erg verlegen om bijdragen over zwarte auteurs. Werk van "verborgen dichters en schrijvers' is nog meer welkom, zo blijkt uit een oproep van de redactie in het laatste nummer. “Bedenk, dat veel dichters en schrijvers eerst in literaire tijdschriften hebben gepubliceerd, voordat ze "beroemd' zijn geworden.”

Maar oprichter en eindredacteur Julian S. With heeft het niet zo begrepen op Michiel van Kempen (1957): “Als er één persoon in dit land rondloopt, die mijn diepste minachting verdient, dan is die Michiel van Kempen.” Wat lastig is, aangezien Van Kempen de grootste en zeker de meest produktieve deskundige is op het terrein van de Surinaamse literatuur.

De lezer van Black Flash zal dus de kennis van zaken van Van Kempen moeten ontberen. Ook met het zwarte oorspronkelijke literaire werk wil het schijnbaar nog niet erg vlotten.

Wat vinden we wel in dit nummer: besprekingen van Stephan Sanders' verhalenbundel Ai, Jamaica en van Charles Johnsons roman Faith en het verhaal van de Moerasvrouw. Een stuk over de omstreden acteur en filmmaker Spike Lee. Karin van Rijsewijk opent met een eenvoudig geschreven, helder artikel over Malcolm X, de zwarte radicale nationalist (1925-1965) die als held voortleeft in de rap-muziek en over wie Spike Lee een film aan het maken is.

In een groot stuk in de Volkskrant (10 mei 1991) liet Michiel van Kempen stiekem zichzelf optreden als schrijver, onder zijn pseudoniem Winston Leeflang. Al evenmin netjes is het dat Van Rijsewijk nu De Withs loftrompet steekt in zijn eigen blad Black Flash.

Een overzicht van hatelijkheden en ruzies in de Surinaamse literaire kringen zou veel langer worden dan de lijst van waardevol proza en mooie poëzie. Misschien zijn het wel vooral de vetes die de Nederlandse zwarte letteren telkens weer in de kiem smoren. Of gaat de Surinaamse literatuur ten onder aan hoogmoed, grootheidswaan en zeurderige boodschapperigheid, zoals Anil Ramdas beweerd heeft in De Groene? “Wij missen de ironie, de doordachtheid, de universele visie. De Surinaamse literatuur heeft hart, maar geen oog.”

Black Flash, 2de jrg. nr. 2. 31 blz. ƒ10. SMAU, 030-340979.