Verificatie chemische wapens: taaie kwestie

Een algeheel verbod op gebruik, opslag en produktie van chemische wapens lijkt dichtbij, “maar the devil is in the detail”, zegt een Nederlandse expert, die nauw betrokken is bij de Ontwapeningsconferentie van de Verenigde Naties in Genève. Gisteren presenteerde het zogeheten Ad hoc-comité Chemische Wapens de eerste integrale ontwerptekst voor een C-wapenverdrag, sinds de onderhandelingen in 1968 begonnen. Maar de zes weken tot de voorlopige ondertekening in augustus, zullen hard nodig zijn om de laatste plooien glad te strijken.

Een aantal kwesties wacht op een definitieve oplossing. Allereerst is dat het zogeheten verificatieregime. Dat bepaalt onder meer de omstandigheden en voorwaarden voor inspecties, die duidelijk moeten maken of een land het C-wapenakkoord schendt. Daarbij gaat het onder meer om de vraag hoe lang van tevoren een dergelijke inspectie moet worden aangekondigd en welke plaatsen wel en niet voor inspectie in aanmerking komen.

Doel moet zijn dat landen die het akkoord schenden niet de gelegenheid hebben om hun chemische wapens of onderdelen daarvan te verstoppen. Anderzijds dringen sommige landen aan op managed access, waarbij de geheimhouding van andere militaire projecten in de nabijheid van het inspectieobject is gegarandeerd. De VS hebben steeds geargumenteerd dat inspectie vanuit de lucht of van grote afstand in een aantal gevallen voldoende moet zijn.

Het huidige verdrag bepaalt alleen inspectie van "gouvernementele' instellingen, maar alle partijen zijn het erover eens dat ook de chemische industrie inzicht moet geven in de produktie en buitenlandse verkoop van eventuele grondstoffen voor C-wapens. Deze bedrijfstak is echter bevreesd dat de jaarlijkse "grondstoffendeclaraties' oneigenlijke commerciële voordelen biedt aan de concurrentie.

Een derde slepende kwestie is de opruiming van oude, "c.q. achtergelaten' voorraden chemische wapens. Zo liggen voor de Belgische kust, in de Oostzee en in het Kattegat tussen Zweden en Denemarken grote hoeveelheden Duitse gifgasgranaten, waarvan wordt gevreesd dat ze binnenkort door het zeewater te ver zullen zijn aangevreten. Het ruimen van die voorraden is niet alleen een technische, maar ook een financiële kwestie. Testcase voor de definitieve clausule in het verdrag zijn de bilaterale onderhandelingen tussen China en Japan over gifgasgranaten die Japan heeft achtergelaten in Mantsjoerije, dat het in de jaren dertig heeft bezet. China eist dat Japan voor de kosten van de opruiming opdraait, maar Japan lijkt onwillig.

Een apart probleem vormen de voorraden chemische wapens op het gebied van de voormalige Sovjet-Unie. Nederlandse experts noemen de huidige situatie in Rusland “een chaos”. Hoewel Rusland zegt dat alle C-wapens zich inmiddels op zijn grondgebied bevinden, wordt dat ernstig betwijfeld. Bovendien bestaat grote onzekerheid over de Russische capaciteit om zijn chemische arsenalen ook daadwerkelijk op te ruimen. Een veeg teken is het nadrukkelijke Russische verzoek om zich niet te hoeven houden aan de periode van tien jaar, dat in een eerder bilateraal verdrag met de Verenigde Staten is overeengekomen.

In mei 1991 maakten de VS bekend binnen tien jaar na een verdrag voor C-wapens al hun chemische wapens vernietigd te hebben. Tot dan toe behielden de VS zich steeds het recht voor om twee procent van hun oorspronkelijke voorraden te handhaven, ook wanneer een verdrag dit wereldwijd zou verbieden.

Aangenomen wordt dat de risico's van die politiek door de Golfoorlog duidelijk zijn geworden en de huidige onderhandelingen hebben bespoedigd. Wanneer de VS zich niet zouden houden aan een verdrag, zou dat andere vermeende spijtoptanten, zoals Irak en mogelijk ook Noord-Korea, Libië en Pakistan, wellicht een alibi geven hetzelfde te doen. In de eerste fase van de Golfoorlog dreigde Irak met het gebruik van gifgas, maar is daartoe niet overgegaan. Na de Golfoorlog heeft een speciale onderzoekscommissie van de VN in Irak grote hoeveelheden granaten met strijdgassen (zenuw- en mosterdgas) ontdekt en onschadelijk gemaakt.

Naar schatting twintig landen worden in staat geacht chemische wapens te produceren. Daaronder bevinden zich zowel lidstaten van de VN-Ontwapeningsconferentie als waarnemers.