Steeds meer onderzoek naar vaderschap; Staat geeft in helft van gevallen opdracht voor dit onderzoek

AMSTERDAM, 23 JUNI. Het aantal onderzoeken naar "biologisch vaderschap' dat in Nederland door het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst in Amsterdam wordt gedaan, is de afgelopen vijf jaar meer dan verdubbeld. In 1987 kwam bij het laboratorium zeventig maal een verzoek binnen om na te gaan of een vermeende vader inderdaad de "echte' vader is. Vorig jaar was dat aantal tot honderdvijftig opgelopen.

In ongeveer de helft van de gevallen werkt het laboratorium in opdracht van een rechtbank. Onderzoek naar biologisch vaderschap kan worden gedaan als de vermeende vader ontkent het kind te hebben verwekt of als er twijfel bestaat over het vaderschap, omdat de vrouw meerdere seksuele contacten heeft gehad.

Vergeleken met andere westerse landen is de vraag naar dit onderzoek in Nederland niet groot. In Denemarken bijvoorbeeld - met een bevolking van vijf miljoen - wordt duizend maal per jaar zo'n bepaling gedaan. Een van de belangrijkste redenen is dat voor sociale voorzieningen in Nederland minder strenge eisen worden gesteld. Ongehuwde moeders kunnen aanspraak maken op een uitkering, zonder dat bekend is wie de vader is. In het buitenland wordt die eis wel gesteld, zodat sociale diensten de vader op een deel van de kosten kunnen aanspreken.

De situatie zou in Nederland kunnen veranderen als de regelgeving op dit punt in de Europese Gemeenschap wordt geharmoniseerd. In Duitsland bestaat bijvoorbeeld een wet die bepaalt dat ieder kind - ook een onwettig - een onderhoudsplichtige vader moet hebben. Nederland kent die wet niet.

De procedure rond de bloedafname bij het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst is uiterst zorgvuldig. De "vader', de moeder en het kind moeten zich legitimeren, er wordt een foto van de betrokkenen genomen en in het geval de rechtbank een onderzoek heeft gelast, worden vingerafdrukken genomen zodat achteraf kan worden geverifieerd of de juiste personen zijn onderzocht. Kinderen moeten minimaal vier maanden oud zijn, omdat sommige bloedgroepkenmerken bij jongere kinderen niet of moeilijk zijn vast te stellen. De onderzochten mogen in de drie maanden voorafgaand aan de bepalingen geen transfusie hebben gehad.

In principe is het mogelijk bij dit soort onderzoek gebruik te maken van ieder duidelijk herkenbaar erfelijk kenmerk waarvan de wijze van overerving goed bekend is. In de praktijk beperken onderzoekers zich tot de erfelijke kenmerken van bloedbestanddelen. In bloedmonsters van het kind, de moeder en de als vader aangewezen man worden kenmerken bepaald van een aantal erfelijke systemen die van individu tot individu kunnen verschillen. Deze bepalingen worden verricht op bloedcellen, serumeiwitten, enzymen en sinds 1990 ook op het DNA, het erfelijk materiaal dat ligt opgeslagen in de celkern.

Elk onderzoek is opgesplitst in achttien bepalingen: acht hebben betrekking op de bloedgroepen, vier op serumeiwitten, vier op DNA-eigenschappen en twee op enzymen. Het onderzoek duurt zes weken. Op grond van de karakteristieken kan tot de conclusie worden gekomen dat het uitgesloten is dat de aangewezen man de vader van het kind is. Indien de aangewezen man niet wordt uitgesloten van vaderschap, wordt een zogeheten biostatische analyse losgelaten op de uitslagen van het onderzoek.

Uiteindelijk kan de uitslag van het onderzoek in vier waarschijnlijkheidsgroepen worden verdeeld. Als de kans dat de man op grond van laboratoriumbepalingen en analyse de vader is hoger ligt dan 95 procent, wordt dat "waarschijnlijk' genoemd. Is het meer dan 99 procent, dan wordt van "zeer waarschijnlijk' gesproken. Als de analyse een kans van 99,9 tot 99,99 procent aangeeft, luidt de kwalificatie "hoogstwaarschijnlijk'. Boven 99,99 procent stelt het rapport dat de man met "aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid' de biologische vader is. De gemiddelde score ligt op 98 procent.

I.M. Hendrikse, analiste bij het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst, en dr. G. de Lange (immunogenetica) wijzen er op dat de overheid in sommige gevallen van gezinshereniging om een onderzoek naar het biologisch ouderschap vraagt. “Als een man en een vrouw na een vakantie met een kind van vijf naar Nederland terugkeren, wil de overheid wel eens twijfelen aan de stelling dat het hun kind is. In zo'n geval wordt een onderzoek gevraagd”, zegt De Lange.

Globaal de helft van de aanvragen komt van particulieren. “Dat staat niet in verhouding tot het aantal mensen dat naar de mogelijkheden informeert. Als je uitlegt wat de financiële en emotionele consequenties zijn, blijft één op de vijf over”, aldus Hendrikse.

Vaak moet degeen die particulier heeft laten uitzoeken of vader inderdaad vader is, worden verwezen naar het RIAGG. “Een vrouw bijvoorbeeld die na dertig jaar twijfels over de "echtheid' van haar vader hier onderzoek liet doen. De biologische vader bleek een ander te zijn. Zij was verwekt door een aanrander, zoals later bleek. Al die jaren had haar moeder ontkend dat haar dochter van een andere vader was en de verkrachting uit haar geheugen verdrongen. In zo'n geval moeten wij verwijzen naar psychiatrische hulp.

“Een ander geval is een vrouw die, naar later bleek, zwanger was geworden doordat ze na een operatie was verkracht door een verpleger, terwijl ze nog onder narcose was. Dat de verpleger de vader was hebben we hier vastgesteld. Dat zijn uitzonderlijke situaties. Het merendeel van de vaderschapsonderzoeken hebben betrekking op familiezaken.”

De Lange veronderstelt dat het onderzoek naar het biologisch vaderschapsonderzoek - kosten: 2.550 gulden voor drie personen - steeds populairder wordt, omdat de mogelijkheden steeds bekender worden bij advocaten, huisartsen en de bevolking in het algemeen. “Anders valt die toename niet te verklaren. Het aantal rechtszaken is namelijk niet in dezelfde mate toegenomen over de afgelopen jaren.”