Stap te ver

De grote schoonmaakoperaties die het kabinet wil uitvoeren, om de samenleving beter bestuurbaar en de kosten beter beheersbaar te maken, lijken maar niet van de grond te kunnen komen. Dat geldt voor de vele aanlopen en plannen voor hervorming van het stelsel van sociale zekerheid, voor een nieuw ziektekostenstelsel en voor de herziening van het belastingsysteem.

Wordt ergens een draad losgetrokken, dan vallen op andere plaatsen in de kluwen van onderling vervlochten relaties nieuwe gaten. Van knopen doorhakken kan geen sprake zijn.

Het simpel lijkende idee van invoering van een basisverzekering in de sociale zekerheid lijkt politiek al te kunnen worden afgeschreven, nu zowel PvdA, CDA als D66 zo'n stelsel, waarbij de overheid alleen garanties biedt voor uitkeringen op minimumniveau, heeft afgewezen.

De studies die in opdracht van deze drie partijen zijn verricht, wijzen nog niet op een groeiende consensus over de vormgeving van een nieuw stelsel. Zo wil de CDA-commissie de Ziektewet overdragen aan de sociale partners, terwijl de PvdA daarvoor niets voelt. Ook de opvattingen over de koppeling van de uitkeringen aan de loonontwikkeling zijn allesbehalve gelijkgestemd. Toch is er op enkele hoofdlijnen een zekere convergentie te bespeuren.

Wie zou afgaan op de onlangs gepubliceerde studie van het Centraal Planbureau (CPB) over de effecten op lange termijn van een basisverzekering, zou zich moeten afvragen waarom niet iedereen deze optie omhelst. De in die studie berekende besparingen en groei van werkgelegenheid (zie de column van Flip de Kam van 2 juni) zijn zo gunstig dat geen zinnig mens nog zou mogen twijfelen aan de superioriteit van zo'n stelsel.

Alle berekeningen zijn echter gebaseerd op de veronderstelling dat de basisuitkeringen niet worden aangevuld ten laste van de loonruimte. Deze hypothese is volstrekt onrealistisch. Het CPB en De Kam beseffen dat blijkbaar ook. De laatste stelt immers dat de overheid aanvullende verzekeringen zou moeten verbieden.

Impliciet erkent hij hiermee dat het basisstelsel in wezen niet deugt. Als het grote winstpunt van een dergelijk systeem wordt immers steeds aangevoerd, dat het ruimte schept voor de vrije keus om zich particulier bij te verzekeren. Tegenstanders van een ministelsel hebben altijd betoogd dat aanvullende verzekeringen duurder kunnen uitvallen dan het bestaande stelsel van verplichte verzekeringen. De besparing die invoering van een ministelsel zou opleveren, kan grotendeels teniet worden gedaan door de premielasten die moeten worden opgebracht voor de aanvullende verzekeringen.

Deze stelling wordt nu bevestigd door de "objectieve' modelberekeningen van het CPB en een fervent voorstander. Die andere PvdA-econoom, Dik Wolfson, gaat van de veronderstelling uit dat zeker driekwart van de risico's zal worden herverzekerd. Deze verwachting is veel reëler dan die van het CPB. We mogen immers aannemen dat de meeste mensen zich zullen willen verzekeren om hun inkomen zo lang mogelijk te beschermen. Alleen onder dwang kan een stelsel worden ingevoerd dat iedereen die arbeidsongeschikt of werkloos wordt direct laat terugvallen op 70 procent van het minimumloon. De erkenning dat overheidsingrijpen nodig is om een basisstelsel in te voeren, is - wat de voorgespiegelde fraaie uitkomsten ook mogen zijn - op zichzelf al een veroordeling.

Invoering van een ministelsel met de mogelijkheid van bijverzekeren kan alleen maar tijdelijk soelaas bieden. Particulier bijverzekeren kan immers door de hoge kosten een verstorende factor zijn voor het scheppen van werkgelegenheid. Vooral voor zware beroepen die een hoog risico opleveren zal bijverzekeren een hogere premie betekenen, waardoor de arbeid duurder wordt. Een nog groter bezwaar is dat bepaalde groepen werknemers die in riskante beroepen werkzaam zijn zich waarschijnlijk helemaal niet kunnen verzekeren.

Het wetenschappelijk bureau van D66 heeft terecht bedenkingen tegen het regelen van aanvullende verzekeringen per CAO, omdat werkgevers en vakbonden de kosten van die regelingen uit het oog kunnen verliezen en de bovenminimale uitkeringen te veel laten stijgen.

Prof. W. van Voorden, de voorzitter van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, heeft gezegd dat de invoering van een basisverzekering niet zo'n grote stap is, omdat de meeste werklozen en arbeidsongeschikten al op een minimumuitkering zitten. Dit is juist. De overgang op zo'n stelsel moet echter niet alleen worden beoordeeld op haar kwantitatieve gevolgen, maar ook op haar principiële betekenis. De invoering van een basisverzekering betekent dat de overheid zich uit de sociale zekerheid terugtrekt door zich alleen nog garant te stellen voor uitkeringen op minimumniveau. De overheid draagt echter ook verantwoordelijkheid voor de bovenminimale uitkeringen. Ze kan die niet overdragen aan de sociale partners, juist wegens de risico's van te hoge uitkeringen en onderschatting van de kosten daarvan.

De kleine stap van Van Voorden is daarom net een stap te ver.