Protesten splijtzwam in Franse boerenorganisaties

PARIJS, 23 JUNI. Het nieuwe Europese landbouwbeleid waarover de EG-landen het onlangs eens werden, leidt tot de ondergang van het Franse platteland en de boeren die over blijven, worden uitkeringstrekkers. Op grond van deze simpele voorstelling eist een vooralsnog klein deel van de Franse boeren herinvoering van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek die vanaf 1962 in de Europese Gemeenschap werd gevoerd.

De protesterende boeren hebben zich verenigd in een niet-politieke organisatie, "Coordination rurale', die met haar acties een splijtzwam dreigt te worden voor de gevestigde Franse landbouworganisaties. "Coordination rurale', dat een jaar geleden in het zuiden van het land werd opgericht, telt slechts 7000 leden. De nationale federatie van landbouwers FNSEA, de grootste Franse boerenorganisatie, heeft 600.000 leden. Maar aan de demonstraties die de 'Coordination' al ruim een maand op allerlei plaatsen in Frankrijk heeft gehouden, namen echter ook veel FNSEA-leden deel.

Het jongste boerenprotest richt zich tegen de recente hervorming van de Brusselse landbouwpolitiek, maar de onvrede op het platteland gaat dieper. De Franse boeren zijn in zekere zin het slachtoffer van het succes van de landbouw, de gestadig groeiende produktiviteit. Veertig jaar geleden voedde een boer met zijn produktie vijf mensen, nu is er een boer voor dertig consumenten. In minder dan veertig jaar zijn in Frankrijk vijf miljoen boeren verdwenen. Nu zijn er nog een miljoen, maar van hen zullen er rond het jaar 2000 waarschijnlijk 400.000 eveneens de strijd om het bestaan op het platteland moeten opgeven.

De ondergang van kleine boerenbedrijven heeft in grote delen van Frankrijk dramatische gevolgen: de lokale economie stort ineen, de jeugd trekt weg en de ouderen die in de ontvolkte dorpen en landstreken achter blijven “hebben geen toekomst meer”, zoals een actievoerder van Coordination rurale zei. De schaalvergroting in de landbouw en de Brusselse landbouwpolitiek hebben voorts tot een zekere tweedeling geleid.

De grote graanproducenten in het noorden van het land en gebieden rond Parijs hebben van het EG-beleid geprofiteerd. Tachtig procent van alle overheidssteun ( inclusief de Brusselse garantieprijzen ) die in Frankrijk wordt verstrekt, gaat naar 20 procent van de boeren. De overige 20 procent komt ten goede aan de grote aantallen kleine boeren in meer geïsoleerde gebieden die nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden.

De nieuwe Europese landbouwpolitiek, waarover elf van de twaalf EG-landen het op 21 mei eens werden - Italië maakt problemen over de melkquota - voorziet in lagere garantieprijzen en rechtstreekse inkomenssteun. De garantieprijzen voor graan die Brussel betaalt, zullen in drie jaar met 29 procent dalen, terwijl 15 procent van de bebouwde grond uit produktie zal worden genomen. De garantieprijzen voor rundvlees zullen, eveneens in drie jaar, met 15 procent worden verminderd. Daarnaast wordt een systeem van rechtstreekse inkomenstoeslagen ingevoerd om de lagere verdiensten bij de produktie te compenseren.

De Franse boeren die met tractoren de straat op gaan om kracht bij te zetten aan hun protest tegen de nieuwe EG-politiek, hebben drie belangrijke bezwaren: de lagere garantieprijzen, het uit produktie nemen van landbouwgrond en de invoering van inkomenstoeslagen. Volgens de actievoerders van "Coordination rurale' leidt het nieuwe Brusselse beleid tot de ondergang van de Franse landbouw. Ze voorspellen dat duizenden hectare landbouwgrond in “woestijnen” zullen veranderen. Het braak leggen van landbouwgrond leidt - zo is op borden langs de wegen in Zuid-Frankrijk te lezen - tot “friches + vipères” (ongecultiveerd land met slangen).

Het Franse ministerie van landbouw betoogt dat de gewraakte inkomenstoeslagen (“wij willen geen uitkeringstrekkers worden”) niet nieuw zijn en bovendien een eerlijker distributie van het Brusselse geld over grote en kleine boeren mogelijk maakt. De FNSEA en de overige gevestigde landbouworganisaties, zoals de organisatie van jonge boeren CNJA, zijn het in grote lijnen met minister Mermaz eens. Deze organisaties menen dat het nieuwe Brusselse landbouwbeleid per saldo niet ongunstig is voor de Franse boeren. Ze kunnen zich overigens moeilijk distantiëren van het resultaat van maandenlange onderhandelingen in de Europese Gemeenschap omdat ze achter de schermen mee aan de onderhandelingstafel zaten.

De gevestigde landbouworganisaties eisen wel een pakket nationale “aanpassingsmaatregelen”. Na een bijeenkomst met de 'Nationale raad voor de landbouw' (CAF) waarin alle grote landbouworganisaties behalve "Coordination rurale' zijn vertegenwoordigd, kondigde minister Mermaz van landbouw vorige week maatregelen voor eind juli aan. De landbouworganisaties willen lagere belastingen ( o.a. voor niet-bebouwde gronden), verlichting van schulden (o.a. op recente investeringen die zijn gedaan op basis van het "oude' Brusselse landbouwbeleid) en lagere sociale premies.

Raymond Lacombe, de vertrekkende voorzitter van de FNSEA, relativeerde vorige week de acties van "Coordination rurale'. “Telkens als de landbouw in een crisis verkeert, zijn er mensen die sneller reageren dan anderen”, aldus Lacombe. Coordination rurale beschouwt de FNSEA en de andere gevestigde organisaties als te centralistisch en “te dicht aanleunend” bij het ministerie van landbouw. De nieuwe protestbeweging kan een splijtzwam worden als ze met haar acties, ook al lijken die tot mislukken gedoemd, nieuwe aanhang wint. Tenslotte is de eenheid die de FNSEA ophoudt, voor een deel schijn: de belangen tussen de grote graanproducenten in het noorden en die van de kleine boeren in het zuiden en westen van Frankrijk lopen ver uiteen.

Foto: ARDÈCHE - Een Franse graanboer op zijn land in het Rhônedal. (Foto NRC Handelsblad /Vincent Mentzel)