Met z'n elven doorgaan is onzin

Uit een onderzoek naar de argumenten in de Deense discussie voorafgaand aan het referendum, blijkt dat deze niet tot één centraal thema kunnen worden herleid, maar wel loopt de vrees voor te veel centrale macht in Brussel als een rode draad door die argumenten heen.

In de Ierse discussie speelden argumenten een rol die met het Verdrag van Maastricht geen direct verband houden, zoals de abortuskwestie en de dienstplicht. Overigens valt in het Ierse stemgedrag de stabiliteit op: een kleine zeventig procent ja-stemmers, vrijwel evenveel als ruim vijf jaar geleden bij de goedkeuring van de "Europese Akte', die het programma Europa-1992 verdragsmatig vastlegde.

De Deense uitslag deelde het (massaal opgekomen) electoraat in twee helften; ook als 25.000 meer mensen voor hadden gestemd en Denemarken nu als pro-Europees te boek had gestaan, zou dat zorgelijk zijn geweest. Een zo verdeelde partner kan niet anders dan een onzekere inbreng hebben. In feite is Denemarken, sinds zijn toetreding tot de Gemeenschap in 1973, altijd zeer terughoudend geweest ten aanzien van activiteiten die verder gaan dan de interne markt. Maar aan de binnenmarkt hecht het bijzonder sterk, om evidente economische redenen. Van de NAVO was Denemarken altijd consistent lid, maar een lid in de marge. Doch van de WEU, die wel eens directere betrokkenheid zou kunnen vergen, moet het veel minder hebben, en die WEU is in het verdrag van Maastricht nu juist aan de EG (de "Unie') gekoppeld. Dat heeft in het referendum zeker een rol gespeeld.

Met zijn met z'n elven doorgaan is onzin, want ratificatie kan alleen met twaalf geschieden. Ook is het onmogelijk om met z'n elven "Maastricht' toe te passen en de Denen alleen te laten meedoen aan de "oude EG', omdat niet alleen de inhoud, maar ook de procedures van de EG door "Maastricht' ingrijpend zijn gewijzigd. Wat eventueel wel zou kunnen, is een EMU met elf landen (of zoveel als er uiteindelijk mee willen doen) oprichten, maar de band tussen de EG en de EMU is dan verbroken. Daar is een nieuw verdrag voor nodig. Hetzelfde geldt voor een veiligheidsbeleid van minder dan de twaalf EG-leden. En wat natuurlijk altijd kan, is "Maastricht' vergeten en opnieuw onderhandelen. Maar waarover precies?

Omdat daarover geen helderheid bestaat, is het verstandig de nationale goedkeuringsprocedures in de parlementen en via referenda voort te zetten zodat bekend is hoe groot de steun voor het Verdrag van Maastricht is en er een noodzaak is tot een publiek debat. Het voortzetten van de nationale goedkeuringsprocedures wordt zinloos als meer partners daarbij uitvallen. Dan zou er er een heel nieuw hoofdstuk beginnen in de geschiedenis van de Europese integratie, waarover weinig te zeggen valt behalve dat het in de relatie met Centraal- en Oost-Europa een ernstige nieuwe onzekerheidsfactor zou aanbrengen.

Blijkt daarentegen dat het Verdrag van Maastricht, in de overige elf lidstaten democratisch gelegitimeerd is, dan is het aan Denemarken om te zien of en hoe het zijn postitie wil heroverwegen en aan de andere om te zien of zij daarbij behulpzaam kunnen zijn. Lukt dat, dan kan er geratificeerd worden; lukt het niet, dan weet men tenminste waarover de andere elf het in grote lijnen eens zijn en daarmee moeten zij dan opnieuw aan de slag.

Ook in Nederland is het nationale debat over de toekomstige structuur en rol van de Europese Gemeenschap verwaarloosd. "Europa' werd aan specialisten overgelaten, hoewel de Brusselse activiteiten voor een groot deel om binnenlandse problemen draaien, waarvoor sinds 1952 in toenemende mate een gemeenschappelijke oplossing wordt gezocht in de Gemeenschap. Dat antwoord wordt niet door bureaucraten in de Brusselse afzondering uitgedacht, doch in samenspraak met hun collega's in de afzonderlijke lid-staten, en kan pas tot regelgeving leiden als die nationale bureaucraten hun ministers tot een besluit kunnen brengen.

Er is geen richtlijn uit Brussel en geen verordening waaraan niet de nationale ministers hebben meegewerkt. Op 11 juni was er in de Stadsgehoorzaal in Leiden een drukbezocht openbaar debat over de vraag of de Denen gelijk hebben, waaraan de fractieleiders Wöltgens en Bolkenstein en de Europarlementariër Penders meededen. Op een klacht van één van hen over de inhoud van sommige Brusselse richtlijnen riep iemand: “Maar u bent er toch zelf bij?” Inderdaad. Het is niet voldoende de Europese zaken met algemeenheden en cliché's af te doen: het is hoog tijd dat zowel de werkelijke inhoud van het Verdrag van Maastricht als de betekenis daarvan voor Nederland in een gedegen politieke discussie over het voetlicht wordt gebracht. Het is vooral de taak van de Nederlandse politiek, van de fracties in de Kamer, om te zorgen dat het debat wordt gevoed en gevoerd.