Mariniers traden in '67 al op tegen "nozems'

ROTTERDAM, 23 JUNI. Op 4 april 1967 trad op een groep van circa tachtig mariniers uit Den Helder op eigen initiatief op tegen "nozems' in Amsterdam. De hal van het Centraal Station werd schoongeveegd omdat de militairen vonden dat de nozems te lastig en te provocerend geworden waren. Hoewel de Amsterdamse politie van te voren was gewaarschuwd over de op handen zijnde actie, liet zij zich niet zien omdat het CS niet onder haar verantwoordelijkheid maar onder die van de Spoorwegpolitie viel.

Drie jaar later, op 25 augustus 1970, traden de mariniers opnieuw op. Tachtig man reisden uit Den Helder en uit Doorn naar Amsterdam om daar, net als gisteravond in Rotterdam, orde op zaken te stellen. Op eigen gezag namen ze actie tegen de "Damslapers' en sloegen hard in op jongeren, voor een groot deel buitenlanders die zich rond het Nationaal Monument hadden verzameld.

Volgens de mariniers was hun gewelddadige optreden dat enkele minuten duurde, onder meer nodig omdat Amsterdammers geklaagd hadden over "ontering' van het monument. In de jaren zestig was de omgeving van het monument het centrum van de zogenoemde Damslapers; in 1969 verbood de gemeenteraad om op de Dam en omgeving - in de open lucht - de nacht door te brengen. De dag waarop het verbod van kracht werd, meenden mariniers dat het tijd geworden was om zelfstandig op te treden. Tegen enkele mariniers werden vervolgens lichte disciplinaire maatregelen getroffen.

Omdat de VVDM, de vereniging van dienstplichtige militairen, ongerust geworden was over de mentaliteit onder mariniers en binnen het Korps Mariniers, werd daarover in de periode van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) met medewerking van secretaris buitenland van de PvdA, H. van den Bergh, een uitvoerig rapport opgesteld. Defensie-minister H. Vredeling nam daarop een aantal maatregelen om tot verbetering van de mentaliteit en de sfeer in het Korps Mariniers.