Kleintjes krijgen meerderheid in EG; Ook de vijf groten zijn nu gedekt tegen een overval van de zeven dwergen; De besluitvorming verzandt op die manier in onoverzichtelijk handje-klap

Als het Deense anti-Maastricht virus niet nog eens toeslaat, begint de Europese Gemeenschap volgend jaar aan onderhandelingen over de toetreding van vier, mogelijk zelfs van vijf nieuwe lidstaten. Zweden, Oostenrijk, Zwitserland, Finland en wellicht Noorwegen. Het zijn zonder uitzondering welvarende landen die gemakkelijk zullen slagen voor het examen monetaire unie. Voor de politieke unie kan dat moeilijker liggen - met uitzondering van NAVO-lid Noorwegen zijn de kandidaten op defensiegebied stoer neutraal. Zwitserland is zelfs zo gesteld op zijn buitenlands-politieke autonomie dat het niet eens lid is van de Verenigde Naties.

Van deze landen verwacht de Europese Gemeenschap toch dat ze straks “in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie” geven (Titel V, artikel J.4 - Verdrag van Maastricht).

Wie de Twaalf de afgelopen maanden een "gezamenlijk' Joegoslavië-beleid heeft zien voeren, kan zich voorstellen hoe dat er straks met zeventien landen zal uitzien. Het wordt dan ongetwijfeld nog moeilijker om bijvoorbeeld Macedonië te erkennen. De EG kan door een Griekse blokkade, die nu al vijf maanden duurt, maar geen beslissing nemen. Dat kan alleen maar erger worden. Het buitenlands en veiligheids beleid zal immers met zeventien lidstaten, net als met twaalf, alleen op basis van unanimiteit worden vastgesteld.

De Europese Gemeenschap wordt met de toetreding van de vijf nieuwelingen op buitenlands politiek terrein niet alleen machtelozer, maar krijgt ook een ander karakter. De Unie zal straks bijvoorbeeld hoofdzakelijk uit kleine landen bestaan. Met vijf nieuwelingen erbij zijn er straks elf kleine landen lid en nog maar vijf grote: Spanje, Engeland, Duitsland, Frankrijk en Italië. Daarmee staan de bestaande machtsverhoudingen in de EG op het spel, precies op een moment dat geen Europese politicus het zich kan veroorloven daarover de discussie te openen.

De eerste die politieke winst voor de "zittende' kleine landen rook, was de Belgische minister van buitenlandse zaken Claes. Op 17 juni liet hij een memorandum schrijven, waarin de koudwatervrees bij de kiezer voor nog meer revolutionaire ingrepen in "Europa', vakkundig werd uitgebuit. Houdt alles bij het oude, zo waarschuwde hij. En: “De grotere lidstaten zullen een zekere oververtegenwoordiging van de kleinere lidstaten moeten blijven aanvaarden”, bijvoorbeeld in de Europese Raad van ministers, het Parlement en de Commissie. Van den Broek ging snel akkoord, waarna de Benelux werd afgestoft en samen met Luxemburg afgelopen zaterdag de andere ministers van buitenlandse zaken werden overtuigd. Met uitzondering van Duitsland en Frankrijk, die misprijzend zwegen, werd het memorandum gunstig ontvangen. Alles wat Europese politici in deze wankele dagen kunnen zeggen (of verzwijgen) ter geruststelling van de benauwde kiezer in de kleine landen is welkom. Daarmee wordt de kiezer echter geen dienst bewezen.

De ministers doen nu aan de hand van de Benelux vroom alsof er niets aan de hand is. De vijf nieuwelingen mogen eerst door het stof - "Maastricht' moeten ze onvoorwaardelijk slikken, inclusief het "defensie perspectief'. Hun neutraliteitspolitiek dient definitief te worden ondergebracht in het museum voor Koude Oorlogsrelikwieën. Institutionele veranderingen dienen alleen "mechanisch' te worden uitgevoerd, zo is het nieuwe credo. Dat is echter een recept voor ongelukken.

De Benelux wil bijvoorbeeld de meerderheidsregel in de Raad van ministers handhaven “met toekenning van nieuwe stemmen aan de nieuwe leden”. Kleine landen zijn nu nog grotesk oververtegenwoordigd in de Europese ministerraden: Nederland met 15 miljoen inwoners heeft vijf stemmen, de Bondsrepubliek met zo'n 80 miljoen heeft er tien. Dat zou dus ook moeten gelden voor de nieuwelingen.

Dat zal consequenties hebben voor de besluitvorming. Nu geldt bij een meerderheidsbesluit in de Europese ministerraad dat ten minsteacht lidstaten vóór moeten stemmen, met een minimum van 54 van de in totaal 76 stemmen. Aangezien de vijf "groten' samen 48 stemmen hebben, zijn de huidige zeven "kleinen' altijd beschermd. Ook de vijf groten zijn nu gedekt tegen een overval van de zeven dwergen - die hebben samen maar 28 stemmen. De kleine lidstaten moeten dus altijd één grote lidstaat bereid vinden om een voorstel van de Commissie ongedaan te maken. Het aantal coalities om dat te bereiken is nu nog te overzien. Met zeventien landen wordt dat anders.

Volgens het Benelux-plan moet de drempel van 54 worden gehandhaafd en krijgen de vijf nieuwkomers alleen extra stemmen. Relatief worden de kleine landen zo nog verder bevoordeeld. Tegenover de vijf groten nemen dan elf kleintjes plaats, allemaal op jacht naar de drempel van 54. De besluitvorming verzandt op die manier in onoverzichtelijk handje-klap tussen zeventien landen, dat geen recht doet aan economische of geografische verhoudingen.

In een (ongewijzigd) Europa van de Zeventien worden de zwakheden die de Twaalf al kenmerken op deze manier vermenigvuldigd. In Lissabon zal eind deze week vermoedelijk uit politiek opportunisme worden besloten bij toetreding van nieuwe leden alleen "mechanische' wijzigingen toe te passen. De Gemeenschap staat echter op het punt uit z'n voegen te barsten. Wie het goed meent met een efficiënte besluitvorming binnen de EG, kan niet ontkomen aan een herindeling van de stemverhoudingen, en een reorganisatie van de politieke en ambtelijke structuren van Europa.