Jean-Luc Dehaene kiest voor “korte pijn”

België heeft nog ruim vier jaar de tijd om te voldoen aan de criteria voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU), maar premier Jean-Luc Dehaene heeft nog maar twee maanden. Deze zomer moet de Belgische regering van christen-democraten en socialisten een pakket maatregelen op tafel leggen dat uitzicht biedt op een ingrijpende sanering van de enorme staatsschuld in de komende jaren. Die taak heeft Dehaene zichzelf als hoogste opdracht gegeven, toen hij in maart aantrad als premier.

Een falen van Dehaene in de komende maanden betekent vrijwel zeker, voorspellen waarnemers, dat België eind 1996/begin 1997 geen aansluiting zal weten te vinden bij de EMU. Extra hard ingrijpen nu - in het jargon van de Brusselse Wetstraat aangeduid als het scenario van “de korte pijn” - is geboden omdat naderende verkiezingen in 1994 een aanpak van geleidelijkheid bij voorbaat ongeloofwaardig zou maken.

De Belgische staatsschuld van 8000 miljard frank (438 miljard gulden ofwel 129 procent van het bruto binnelands produkt) is als percentage van het bbp de hoogste in de EG. Ongeveer veertig procent van het nationale budget gaat op aan rentebetaling. Ook uit economisch oogpunt is het daarom verstandig zo snel mogelijk het grootste deel van de benodigde bezuinigingen door te voeren.

Overigens geeft het percentage van de rentepost in het nationale budget een vertekend beeld. Want in België is de overheidsschuld genationaliseerd, maar lopen de uitgaven voor een belangrijk deel (ongeveer veertig procent) via de regionale overheden (Vlaanderen, Wallonië en Brussel).

Gevoelig onderwerp in de huidige politieke "dialoog van de gemeenschappen' over verdergaande opsplitsing van België, betreft juist de regionalisering van de nationale schuld. Zo'n opsplitsing van de Belgische schuld in een Vlaams, een Waals en Brussels deel lijkt niet meer dan een logische consequentie van een staatkundige scheiding. Volgens de Vlaamse econoom en PVV-senator De Grauwe is een verdeling van de schuld vooral wenselijk om de regio's - lees: vooral de spilzieke Waalse regio - te leren de tering naar de nering te zetten.

Maar juist gisteren is een berekening bekend geworden van de Nationale Bank van België, waaruit blijkt dat iedereen er op zal toeleggen indien de nationale schuld wordt uitgesplitst, dus ook Vlaanderen. Regionalisering van de schuldenlast zal België jaarlijks 13 tot 26 miljard frank extra kosten. Dat komt vooral doordat de "rating' voor de kredietwaardigheid op de internationele financiële markten omlaag zal gaan. De regionale overheden zullen dus meer rente kwijt zijn voor het aantrekken van leningen.

Die waarschuwing zal premier Dehaene zich zeker herinneren als hij, eveneens in de komende zomermaanden, een politiek oordeel moet vellen over het resultaat van de dialoog van de gemeenschappen. Dehaene zit niet te wachten op extra kostenposten, nu hij min of meer al te kennen heeft gegeven te zullen kiezen voor de “korte pijn”.

Concreet lijkt het Belgische kabinet voor 1993 ombuigingen te willen realiseren voor een bedrag van ongeveer 80 miljard frank. Daardoor zou het financieringstekort verminderen van de huidige 5,7 procent tot 4,9 procent eind 1993. Het EMU-criterium legt een tekort op van ten hoogste 3 procent voor 1996. Dat bedrag is minder dan de 100 miljard frank die het kabinet enkele maanden geleden al aan ombuigingen in de boeken bijschreef ten einde de begroting voor 1992 te repareren. Die was uit het lood geslagen door de politieke verwikkelingen van na november vorig jaar. Maar ongeveer tweederde van dat bedrag werd toen gerealiseerd door extra inkomsten te genereren van burgers en bedrijven, onder andere door met de btw te schuiven en een "weeldebelasting' op auto's in te voeren. Bovendien ging het toen ook om maatregelen met een tijdelijk effect.

Deze keer valt niet te ontkomen aan structurele, en dus pijnlijke ingrepen in bijvoorbeeld de ambtenarensector en de sociale zekerheid. In het begin dit jaar gesloten regeerakkoord is namelijk overeengekomen dat ombuigingen voor de helft zullen worden gerealiseerd door extra inkomsten en voor de helft door echte bezuinigingen. Uitgaande van die formule zouden de komende ombuigingen voor in ieder geval tweederde deel moeten bestaan uit het snijden in de uitgaven. Toch is die uitkomst niet zeker. De socialistische vice-premier Coëme heeft de verhoudingen in het kabinet al onder druk gezet door vorige week te pleiten voor een speciale belasting op alle inkomens (van burgers en bedrijven) gedurende vier jaar. Zo'n extra belasting zou de zwaarste bijdrage moeten leveren aan de sanering van de staatsfinanciën.

Vanzelfsprekend staan de ondernemers in België niet te juichen bij die gedachte. Ze vinden de belastingdruk in hun land - iets boven het gemiddelde in de EG - al hoog genoeg.