Hoe Cuba de herinnering aan de revolutie levend houdt; Een vleugje geschiedvervalsing

“Eén momentje, even kijken.” De dame van het souvenirhoekje in het Museum van de Revolutie, in het oude centrum van Havana, trekt een paar laden open. Uit een ervan haalt ze een vierkant kaartje van blauw karton. Terwijl ik alleen maar heb gevraagd of ik buiten, achter het museum, van dichtbij foto's mag maken van de Granma, het motorjacht waarmee Fidel Castro in december 1956 met 82 medestrijders op het eiland landde.

“Ja, dat mag”, zegt ze even later. “Eén minuut fotograferen kost 85 dollarcent, twee minuten...” Op het kartonnen kaartje dat de pronte Cubaanse onder m'n neus houdt, zie ik dat de kosten oplopen tot 50 dollar, voor één uur schieten. Dan maar geen foto's van de Granma.

De onderneming zou zelfs met camera tot mislukken zijn gedoemd, omdat de boot ondergebracht is in een glazen kooi. Deze sobere keet doet dienst als overkapping van een van de belangrijkste symbolen van de revolutie. De Granma is een begrip en behalve de naam van het jacht ook de titel van de partijkrant, de Cubaanse variant van (wijlen) de Pravda.

Ik lever de camera in en loop door het gebouw naar het buitenmuseumpje. Door de afleidingsmanoeuvre in de souvenirhoek vergeten de twee dames die de kassa bemannen entreegeld (buitenlanders 2 dollar, Cubanen 0,80 peso) te vragen. Het terrein met de Granma en andere revolutionaire relikwieën grenst aan een straat waar vandaan buiten opgestelde voer- en vliegtuigen gemakkelijk en gratis gefotografeerd kunnen worden. Rondom het wit-groene vlaggeschip van de revolutie staat een handvol auto's waarin Fidel en zijn strijdmakkers eind jaren vijftig rondreden. Verder twee vliegtuigen, waarvan er één (met succes) tegen de Cubaanse ballingen in de Varkensbaai (1961) werd ingezet. Een ander Varkensbaai-aandenken is een sloep waarmee Cubaanse huurlingen destijds aan land probeerden te komen. Het bootje symboliseert de reeks mislukkingen waarmee de aanval op Cuba, geregisseerd door de CIA, gepaard ging. De meeste buitenboordmotoren van deze bootjes wilden niet starten. Soms vielen ze - zodra de boten te water waren gelaten - spontaan van de vaartuigen af om vervolgens zo snel mogelijk naar de bodem van de zee te zakken.

Een paar meter verder ligt een overblijfsel van de U2, het Amerikaanse verkenningsvliegtuig dat door de Russen naar beneden werd gehaald toen het tijdens de Cuba-crisis (oktober 1962) troepen- en rakettenbewegingen op het eiland wilde registreren. Piloot Robert Anderson was daarmee het enige slachtoffer van de crisis die de wereld op de rand van de afgrond bracht.

Het wrakstuk blijkt niet het enige restant van de neergeschoten U2 te zijn. Ook het Museum van de Strijd tegen de Bandieten in het koloniale stadje Trinidad beschikt over een stuk U2. Het sterembleem van de Amerikaanse luchtmacht is nog goed zichtbaar.

De museumbezoeker in Cuba komt geregeld voor verrassingen te staan. Voor het vroegere presidentiële paleis, dat nu dienst doet als Museum van de Revolutie, prijkt de Russische tank waarmee het huurlingenschip Houston bij de invasie van de Varkensbaai aan flarden werd geschoten. Fidel Castro was een van de leden van de tankbemanning, vertelt de begeleidende plaquette. Er is een mooie foto bewaard gebleven van het moment waarop Castro, met klein baardje en dikke zwarte bril, van de tank springt. Achter het museum staat een soortgelijke tank met exact hetzelfde bijschrift: deze tank schakelde de Houston uit, Castro was een van de bemanningsleden. Hier klopt iets niet.

Vermakelijk is het om te zien dat in het Museum van de Revolutie geen enkele moeite is gedaan om de naam van een van de belangrijkste en meest vooraanstaande dissidenten uit de geschiedenis te wissen. Carlos Franqui was in de eerste jaren na de revolutie hoofdredacteur van de krant Revolucion. Afkerig van Castro's politiek liet hij Cuba begin jaren zestig voorgoed achter zich en hij woont sindsdien in Italië. Op oude voorpagina's van Revolucion, die enkele wanden in het museum in Havana sieren, staat nog duidelijk te lezen: Director: Carlos Franqui. Maar in de vroegere Moncada-kazerne in Santiago de Cuba, aan de andere kant van het eiland, zijn naam en functie van de dissident netjes "weggezuiverd' met behulp van een zwart balkje. Een deel van de Moncada is nu museum, het grootste deel van de voormalige barakken is getransformeerd tot school. Op een foto van een oude Revolucion-voorpagina, bijna anderhalve meter hoog, is de naam van Franqui eenvoudig weggekrast. Een vrouwelijke suppoost heeft geen idee waarom dat balkje daar staat. “Carlos Franqui? Daar heb ik nooit van gehoord.” Als ik haar vertel wie Franqui is, reageert ze laconiek. “Ach, zo leer je elke dag iets nieuws.”

Ook aan de buitenkant van de Moncada is de geschiedenis geretoucheerd. De tientallen kogelgaten in de gevel van het zandgeel/wit-geschilderde gebouw die herinneren aan de aanval op 26 juli 1953 van Castro en zijn kameraden, zijn nep. Na de mislukte aanval en de gevangenneming van Castro en companen smeerde het leger destijds de gaten dicht. Toen Castro zes jaar later aan de macht kwam werden de bepleisterde wonden van destijds aan de hand van foto's van de slag om de Moncada opnieuw met hamer en beitel opengereten. Om de herinnering aan het begin van de revolutie levend te houden.

Om de geschiedenis van de Invasie van de Varkensbaai te conserveren, werd in 1976 een apart museum opgetrokken in Playa Giron, de kleine kustplaats aan de Atlantische Oceaan waar de strijd destijds het hevigst was.

Het voor de Amerikanen historische debâcle is in Cuba bekend als "Giron'. Sinds mei 1961 kent het dorpje, een van de weinige tekens van beschaving in een uitgestrekt moerasgebied, een eigen toeristenindustrie. Tot voor kort streken er vooral Russische militairen en ingenieurs neer om uit te rusten van hun werk in Cuba. Ook voor andere bezoekers uit de Sovjet-Unie was Playa Giron een verplichte pleisterplaats. In de witte cabañas, eenvoudige vakantiehuisjes, herinneren televisies, radio's, de lawaaiige air-conditioning, wc-potten, ventilatoren en koelkasten nog aan de Russische invloed op het eiland. De Russische gasten hebben plaatsgemaakt voor hoofdzakelijk Duitsers en Canadezen.

Het plaatselijke museum dat herinnert aan de invasie, lang en smal, trekt vooral schoolklassen. Laat in de middag ben ik de enige bezoeker. De dame die speciaal voor mij het licht in de donkere ruimte aandoet heeft geen idee hoeveel mensen het museum jaarlijks bezoeken. “Maar het zijn er wel veel.” Bijna alle foto's in het vertrek zijn voorzien van een lichtbruine waas. Foto's met imperialistische onderwerpen zijn blauw, zoals de foto van Adlai Stevenson die in de Verenigde Naties een foto van een Cubaans vliegtuig omhoog houdt, als bewijs dat een Cubaanse piloot - aan de vooravond van de invasie van de Varkensbaai - in de VS is geland en asiel heeft aangevraagd. In werkelijkheid is het doorgestoken kaart, niet meer dan een doorzichtig opzetje van de CIA. Ook een tekening van het invasieplan en een foto van het kamp in Guatemala waar de Cubaanse huurlingen-tegen-Castro werden getraind zijn blauw.

Net als Playa Giron is het enkele tientallen kilometers naar het noorden gelegen Playa Larga een bedevaartsoord van de revolutie. Dit is het eerste dorp langs de Varkensbaai, tenminste voor wie deze plek vanuit Havana nadert. Ook hier werd in 1961 zwaar gevochten. De B-wegen waarover de zware tanks rolden dragen er nog de littekens van. Nooit was me duidelijk waarom de Varkensbaai de Varkensbaai heet. Toen ik Playa Larga binnenreed wist ik het. Een volwassen zwart varken en twee zeugen kwamen er plotseling uit de berm tevoorschijn en staken wild rennend de weg over, vlak voor de wielen van mijn jeep.

Foto: De vroegere Moncada-kazerne in Santiago de Cuba, nu museum. De kogelgaten zijn later weer aangebracht.