Artsen vrijgesproken na hulp bij zelfdoding

ROTTERDAM, 23 JUNI. De rechtbank in Rotterdam heeft vanochtend twee artsen ontslagen van rechtsvervolging nadat zij een psychisch zieke vrouw een dodelijke dosis zware slaaptabletten voor zelfmoord hadden verschaft. Hiermee maakte de vrouw in 1985 een eind aan haar leven.

Beide medici, een huisarts en een zenuwarts bij wie de vrouw in behandeling was, beriepen zich op overmacht. De rechtbank aanvaardde hun beroep op noodtoestand. Zij hebben verantwoord en gewetensvol gehandeld. Daarmee geeft de rechtbank te kennen dat hulp bij zelfdoding aan psychiatrische patiënten die uitdrukkelijk te kennen geven dat ze dood willen, in sommige gevallen is toegestaan.

De betrokken vrouw was vanaf het begin van de jaren zestig langdurig psychisch ziek. Sindsdien werd zij vaak opgenomen. Vanaf het begin van de jaren tachtig verslechterde haar toestand en ondernam zij verscheidene zelfmoordpogingen. Zij nam Glorix in, probeerde zichzelf te verbranden, sprong uit het raam en slikte medicijnen met het oog op zelfmoord. Er werden haar vele therapieën aangeboden, alle zonder definitief resultaat. Zij vroeg enkele keren om euthanasie omdat het leven voor haar geen zin en betekenis meer had. In de wetenschap dat zij de vrouw medisch niets meer te bieden hadden en na een laatste gesprek met haar en haar echtgenoot, besloten de artsen de vrouw te helpen.

Volgens de rechtbank is aannemelijk geworden dat bij de vrouw sprake was van een duurzaam, door haar als ondraaglijk ervaren lijden, waarvan geen herstel meer was te verwachten. Als de vrouw geen hulp had gekregen, moest volgens de rechtbank ernstig worden gevreesd dat zij zich op een mogelijk gruwelijke manier van het leven zou beroven.

Pag 2: Vrouw had goed begrip eigen situatie

Bovendien is de rechtbank van mening dat de vrouw “vrijwillig, weloverwogen, dus ook kalm, helder en met goed inzicht en begrip voor haar eigen situatie, en duurzaam te kennen gaf dat zij niet langer wilde leven”. Als daarvan sprake is, evenals van een ondraaglijk lijden, is hulp bij zelfdoding niet strafbaar.

De vrouw was weliswaar geestesziek, aldus het vonnis, maar de aard van haar ziekte en de toestand waarin zij zich bevond, hoefde voor de artsen geen reden te zijn om aan de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek om hulp te twijfelen. “De beide artsen, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten, en daarbij ervoor kiezend om gevolg te geven aan de wensen van hun patiënt, hebben een keuze gemaakt die objectief beschouwd en gelet op de bijzondere omstandigheden, redelijkerwijs als gerechtvaardigd is te achten.”

De rechtbank wijst erop dat beide artsen geen onafhankelijke deskundige hebben geraadpleegd. Dat zou om meerdere redenen in beginsel “wenselijk en in het algemeen noodzakelijk” zijn geweest, maar de rechtbank vindt dat in dit geval niet doorslaggevend “omdat achteraf kan worden vastgesteld dat zich een situatie voordeed die de hulp van de beide artsen rechtvaardigde”.

De rechtbank stelde zich “ambtshalve” de vraag of de zogenaamde redelijke termijn voor de vervolging in deze zaken niet was overschreden. De berechting had immers 6 jaar en 8 maanden plaats na het begin van de vervolging. Uiteindelijk zag de rechtbank geen aanleiding om de conclusie te trekken dat die termijn verstreken was. Daarbij namen zij in aanmerking dat beide artsen hun verweer op dit punt niet hebben gehandhaafd.

Officier van justitie mr. G.P. van de Beek was eerder tijdens de behandeling al tot de conclusie gekomen dat in deze “bijzondere en specifieke zaak” ontslag van rechtsvervolging moest volgen.