Richard Prince exposeert geannexeerde reclamebeelden; Dromen gaan zelden in vervulling

Tentoonstelling: Richard Prince; 15 years of photographs, drawings, paintings and sculpture. T/m 12 juli in Whitney Museum of American Art, 945 Madison Avenue (hoek 75th Str.) New York. Open: wo 11-18u, do 13-20u, vr t/m zo 11-18u. Catalogus: 60 gulden. Vanaf 4 dec. in Kunstverein Dusseldorf, vanaf 3 okt. '93 in Boymans-van Beuningen Rotterdam.

"What it looks like is what it is', aldus de 43-jarige Richard Prince. Het is een uitspraak die het motto van de reclameindustrie zou kunnen zijn, een voormalige werkkring die Prince deelt met pop-kunstenaars als Warhol, Rauschenberg en Rosenquist. Zeven zalen zijn nu in het New Yorkse Whitney Museum aan deze Amerikaanse cult-kunstenaar gewijd; Prince is de leermeester van onder meer Cindy Sherman en David Salle en wordt door veel jonge Amerikaanse kunstenaars op hand gedragen terwijl ouderen hem ernstig wantrouwen. De tentoonstelling opent met rechtstreeks uit glossy magazines overgenomen advertenties voor chique sigarettenkokers en peperdure horloges. Prince is een fotograaf die de camera ongebruikt laat liggen: "Photography was dead and I killed it".

Wat wil hij ons zeggen met deze ingelijste reprodukties? Wil hij aantonen dat deze zorgvuldig geensceneerde beelden die dagelijks via televisie, film en tijdschriften tot ons komen, ons tegen wil en dank vertrouwder zijn dan veel 'echte kunst'? In de meeste gevallen onthoudt Prince zich van wijzigingen of commentaar; om die reden wordt hij wel beschouwd als de vader van de "appropriation art", de toeeigeningskunst van de jaren tachtig. Daarin worden complete schilderijen van bijvoorbeeld Mondriaan en Pollock exact nageschilderd.

Dat hele rissen kunstenaars, te beginnen bij Duchamp, menen dat er niets meer toegevoegd kan of dient te worden aan de kunst, wisten we al langer. Wat doet Prince dat de uitvinder van pop, Andy Warhol, niet al deed toen hij krantefoto's op doek afdrukte en soepreclame's in het museum hing?

Maar liefst een hele zaal in het Whitney is gewijd aan blowups van de "Marlboro-man". Met zijn onafscheidelijke paard en witte hoed is hij een van de meest succesvolle reclamepersonages ooit gelanceerd. Paarden opdrijvend, weer en wind trotserend blijft deze sexy loner tenslotte alleen over met zijn sigaret. Door de uitvergroting van de foto's en de rangschikking in een reeks worden ze filmisch- ze herhalen het effect van de bioscoopreclame. Of Prince de latent homoseksuele inslag van de gekozen stills - deze cowboy schijnt door mannen aantrekkelijker te worden gevonden dan door vrouwen- hiermee wil belichten, blijft onduidelijk.

Provocerender is het portret van het 10-jarige filmsterretje Brooke Shields; terwijl haar lichaam nog geen enkel vrouwelijk kenmerk vertoont, werd haar gezicht opgemaakt als dat van een vamp, met lonkende ogen en een wrede mond. Is het opzet dat Prince ons herinnert aan de schrijnende positie waarin het meisje zich bevindt? (Zoals bekend werd zij ge-exploiteerd door haar ambitieuze moeder.) In elk geval is haar opmerkelijk seksuele uitstraling in deze karikatuur niet opwindend maar tragisch.

Dit genre foto's dat de annexatiedrift van de media tot onderwerp heeft, levert in mijn ogen de beste stukken van Prince. Hier blijft hij niet neutraal maar zet de beelden naar zijn hand en 'eigent' ze zich werkelijk 'toe'. Op een enorm kamerscherm zijn de uit boulevardbladen geknipte hoofden van nachtclubdanseressen en callgirls bijeengebracht; zij lieten zich fotograferen in de hoop het tot fotomodel of filmster te brengen. Door de herhaling in de poses -net als in de reclame overheerst de fantasieloosheid- en het grove raster van de krantefoto's zijn ze bijna niet van elkaar te onderscheiden. Deze meisjes zijn de treurige belichaming van Warhol's credo dat "ieder mens vijftien minuten lang beroemd kan zijn"- om daarna weer een anoniem gezicht te worden.

Technisch gezien hebben de werken van Richard Prince weinig om het lijf: hij zeefdrukt de gestolen beelden op een meestal met acryl bestreken doek. Zo benadert hij het trashy effect van de sensatiebladen waar hij zijn plaatjes uit haalt. De vluchtigheid en vrijblijvendheid die zulke advertenties nu eenmaal aankleeft, neemt hij daardoor echter ook over. In de stukken waarin taal als medium is gebruikt, weet Prince daaraan te ontsnappen. Op zijn moppen- en cartoonschilderijen (die het Stedelijk Museum een paar jaar geleden ook exposeerde) is mannen-onder-elkaar humor van de plattere soort afgedrukt. Prince's credo dat ik aan het begin van dit stuk aanhaalde, gaat hier nu juist niet op: die stoere taal over seks en vrouwen camoufleert de onvolkomenheid van het leven dat die wensdromen maar zelden in vervulling laat gaan.

Met Warhol deelt Prince het geloof in de droombeelden die de reclame en media ons voorhouden, maar Prince ontbreekt het aan een subversieve techniek die Warhols beelden tot ironische spiegels maakt. Warhol lacht om de consumptiemaatschappij en kan haar tegelijk omhelzen, Prince is als de man uit een van zijn jokes, die uit een bordeel komt gewandeld en voor zich uit prevelt: "Man, that's what I call a business... you got it, you sell it and you still got it." Prince maakt consumerart en die duurt maar een commercial lang.