Niets mis met teksten van Maastricht

"Nee', zeiden de Denen en direct barstte een kakofonie van kritiek los. De Deense kiezers wisten niet wat goed voor hen was en moesten maar over een half jaar herexamen doen. Delors was eindelijk ontmaskerd als een gevaarlijke potentaat die met zijn Franse klasgenoten Europa wilde overheersen. De bureaucraten in Brussel waren afgestraft door de burgers die eindelijk de kans kregen hun eigen stem te doen horen. Kritiek, kortom, uit bijna alle richtingen, echter met één opmerkelijke omissie.

Oplossingen voor de Europese impasse kwamen uit vele hoeken - maar opnieuw met één uitzondering. “Gooi Denemarken uit de EG”, was het eerste geluid van sommige Brusselse politici - indachtig het woord van Berthold Brecht dat als de verkiezing mislukt er maar een nieuw volk moet worden gekozen. “Ontsla Delors”, concludeerde nationalistisch Engeland waar in december premier Major nog triomfantelijk verklaarde dat Maastricht een voltreffer was voor Engeland en voor Europa. “Weg met de Brusselse bureaucratie”, was de oplossing van degenen die nog niet wisten dat de gemeente Den Haag evenveel ambtenaren in dienst heeft als de gehele EG.

Een overmaat aan kritiek, en een overmaat aan oplossingen, maar wat opvallend ontbrak was dat niemand kwam met precieze alternatieven voor de teksten van Maastricht. Weliswaar lanceerde de Engelse minister van buitenlandse zaken, Hurd, het verstandige voorstel om beter te controleren of de EG niet te veel bevoegdheden aan zich trekt, maar daarvoor is geen nieuwe verdragstekst nodig. Anderen eisten meer respect in Brussel voor de Europese Rekenkamer, wat ook heel wenselijk is maar evenmin een nieuw verdrag vereist. Deze week vergaderen de EG-leiders in Lissabon dan ook zonder dat een reparatie-voorstel ter tafel ligt om mogelijke fouten uit die tekst te halen. Zo veel fouten staan er kennelijk niet in.

Bij de openbare hoorzitting over Maastricht in de Tweede Kamer meende slechts één van de vier uitgenodigde sprekers dat de verdragen van Maastricht tekort schieten. President Duisenberg van De Nederlandsche Bank had geen kritiek op de tekst van de verdragen. Drs. Wellenstein noemde de zwakke plekken in de verdragen “onvermijdelijk”. Ik sloot mij daarbij aan. Alleen prof. VerLoren van Themaat was kritisch over het monetaire verdrag en noemde het in de Kamercommissie “volstrekt onaanvaardbaar” dat het Europese parlement niet meer macht krijgt over het economische beleid. Hij meende namelijk dat de bevoegdheid van nationale parlementen om de Rijksbegroting vast te stellen zou verdwijnen en verlangde daarom macht voor het Europese parlement op begrotingsgebied. Met die visie staat hij vrijwel alleen in Nederland. Duisenberg sprak VerLoren van Themaat tegen door nog eens te herhalen dat “uitvoering en opstellen van begrotingen en begrotingstekorten alsmede de omvang van de nationale schuld een nationale zaak blijven”.

Geen econoom zou het op dit moment anders willen: de lidstaten houden hun eigen begrotingsbeleid, maar brengen het monetaire beleid onder bij een onafhankelijke Europese centrale bank. Voor wie het daar mee eens is, blijft het enige echte probleem bij het monetaire verdrag: wie mag lid worden van de club? Frankrijk, Duitsland, Luxemburg, en - als ze zelf willen - Denemarken en Engeland zijn goede kandidaten, mits Frankrijk de grote staatsbanken denationaliseert en Engeland bereid is om na zo veel jaren met slechte ervaringen eindelijk de Bank of England onafhankelijk te maken van het ministerie van financiën. Ierland wil ook meedoen, maar loopt grotere risico's dat de gemeenschappelijke munt toch te sterk blijkt voor een zwakke economie. Belangrijk voor Ierland is ook dat er een grens is aan de bereidheid van Engeland, Duitsland en Nederland om de armere lidstaten met steeds meer geld te ondersteunen. De uiteindelijke keuze vóór of tegen de club van de ene munt is echter een afweging die de Ieren het best zelf kunnen maken, want hun land is te klein om de stabiliteit van de hele club in gevaar te brengen. België heeft een lage inflatie en een sterke munt, maar een onduidelijke politieke toekomst wegens de spanning tussen Vlamingen en Walen. Ook dit land moet zelf kunnen beslissen over de grote stap naar de ene munt.

Van de oorspronkelijke EG-landen is Italië de uitzondering. Afgelopen woensdag had de staat grote moeite met het plaatsen van een staatslening in een wantrouwige markt, de korte rente is de laatste dagen scherp gestegen, en de Banca d'Italia moet haar deviezenvoorraad inzetten om de lire te steunen. De kans op een fiscale crisis is opeens veel groter en het wordt een race tegen de tijd of de lire moet devalueren zonder dat er nog een nieuwe regering is, danwel dat er in Italië snel een regeerakkoord komt zoals dat van ons in 1982 met geloofwaardige grote bezuinigingen. Ook in het laatste geval zal de lire mijns inziens binnenkort moeten devalueren, maar dan is er een kans dat Italië kandidaat blijft voor de club van de ene munt. Als alleen de lire minder waard wordt zonder grote hervormingen in het binnenland, ziet het er voor Italië slecht uit, en is het ook niet in ons belang om de hand over het hart te strijken en de Italianen toch mee te laten doen. Ten eerste kan een toekomstige financiële crisis in Italië de grote banken in dat land doen omvallen, en dat zou ons veel geld kunnen gaan kosten. Bovendien lijkt de Italiaanse staat in de huidige vorm te zwak om bestaande EG-afspraken na te komen, om van het handhaven van de rechtsstaat in het zuiden maar niet te spreken.

Ook in de discussie over de politieke unie klinkt nauwelijks kritiek op de tekst van Maastricht. Drs. Wellenstein zei in de vergadering van de Kamercommissie: “Wat de pijler veiligheid en buitenlandse politiek betreft, zitten wij met het verdrag van Maastricht ongeveer aan het maximum wat men aan gemeenschappelijkheid kan besluiten”. Natuurlijk is het tragisch dat de EG nog geen sterk gemeenschappelijk buitenlands beleid heeft, want dan was misschien de burgeroorlog in Joegoslavië afgeremd. Maar ook wie hoopt op een Europese minister van buitenlandse zaken die in het Europese parlement verantwoording aflegt, kan die ontwikkeling niet forceren met een juridische tekst.

Dat er na het Deense "nee' kritiek is gekomen op de teksten van Maastricht, betekent dat de monetaire club beschikt over goede statuten - zeker niet minder dan die van de Bundesbank - en dat op politiek gebied helaas meer geduld nodig is, maar dat het verdrag ten minste vast legt wat thans maximaal haalbaar is. De teksten van Maastricht zijn niet perfect maar goed genoeg en dat is een compliment voor de twaalf regeringen, voor Delors en natuurlijk ook voor het Nederlandse voorzitterschap.