Met de snelheid van een tegenligger

De pessimisten kregen ongelijk. De zestigste 24-uursrace van Le Mans ontaardde niet in een wedstrijd waarin alle favorieten uitvielen en een buitenstaander met de eer ging strijken.

De voorgeschiedenis deed anders vermoeden. Het wereldkampioenschap sportwagens staat dit jaar in het teken van de sprint. Hoewel niet meer dan 500 kilometer moet worden gereden, waren de eerste twee races een aanfluiting. Op Monza in Italië kwamen uit een veld van elf wagens slechts twee aan de finish, op Silverstone in Engeland slechts vijf stuks. Magere startvelden en grote slijtage brengen het nut van deze competitie in twijfel.

Le Mans bezit echter een aparte plaats in het kampioenschap. Van de korte baan wordt overgeschakeld op de lange adem in een sfeer van traditie sinds 1923. Het obstakel van het geringe aantal deelnemers werd omzeild door soepele toelatingseisen. Naast de wagens met 3,5 liter atmosferische motoren uit het wereldkampioenschap mochten ook oudere modellen met turbo starten en zelfs sportwagens uit merkenraces. Dat die laatste wagens per ronde minuten langzamer waren dan de toppers van Peugeot, Toyota en Mazda werd voor lief genomen.

Snelheidsverschil is altijd een bron van groot gevaar op Le Mans. De topsnelheden op het rechte stuk bewegen zich, ondanks het inlassen van twee chicanes sinds 1990, rond de 350 kilometer per uur. “Sommigen rijden zo langzaam dat het wel tegenliggers lijken die op je af komen. Gevaarlijk? Ja, maar wij mogen blij zijn dat er voldoende deelnemers zijn”, vond Jan Lammers na de training.

Niettemin was het veld mager vergeleken bij de grote jaren. Slechts 28 wagens vormden het kunstmatig samengestelde veld. Waarin Peugeot na het échec van verleden jaar, toen een Mazda de eerste Japanse zege opeiste, het winnen van Le Mans als een reusachtig prestige-object zag. Het Franse merk maakte zich eerder sterk voor het doorgaan van het wankele wereldkampioenschap opdat de investering van honderden miljoenen guldens niet vergeefs waren. Men wil de wereltitel. En Le Mans.

Sportdirecteur Jean Todt, die na de successen in Parijs-Dakar, een andere koers ging varen, was vastberaden. “Het enige waarop wij hier mikken is de 24 uur volhouden.” En dat lukte. De Fransman Jannick Dalmas behaalde met zijn Britse stalgenoten Derek Warwick en Mark Blundell in een Peugeot 905 de overwinning. Er behoefde niets te worden geforceerd. De aangekondigde strijd tussen de drie wagens van Peugeot en het trio van Toyota, barstte nooit echt los. Beide kampen reden op aankomen, een aspect waarbij in de eerdere wedstrijden grote vraagtekens konden worden gezet. Een Mazda fungeerde nog even als stoorzender maar na anderhalf uur nam de Peugeot met het toepasselijke startnummer 1 de kop en stond die niet meer af.

De voor Toyota uitkomende Jan Lammers eindigde als achtste samen met de Italiaan Teo Fabi en de Brit Andy Wallace. Een kapotte koppeling vergde een reparatie van drie kwartier waarna het trio kansloos was. Lammers berustte in zijn lot. De winnaar van 1988: “Het moet je weekeinde zijn. Als het dat niet is dan heb je pech gehad.” Lammers smaakte wel het genoegen de snelste ronde te draaien waarmee hij het baanrecord drie seconden scherper stelde. Bij de finish was het veld tot precies de helft uitgedund. Veertien wagens aan de finish. Weinig, maar twee meer dan verleden jaar toen 38 teams begonnen aan de beroemdste langeafstandsrace ter wereld.