Keus voor Hollandia niet per se verdacht

In de discussies over het bouwkartel in Nederland en de aanbestedingsprocedures van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking, is een belangrijk aspect niet aan de orde geweest: de vraag of een openbare aanbesteding altijd de beste procedure is bij de uitvoering van grote projecten. Formeel gezien is deze gang van zaken even simpel als eerlijk: de opdrachtgever maakt een ontwerp, verscheidene aannemers stellen een offerte op en de goedkoopste sleept de opdracht in de wacht. Theoretisch is deze survival of the cheapest natuurlijk een prachtige oplossing. De opdrachtgever leunt achterover en wacht tot de krachten van de vrije concurrentie hun zegenrijke werk hebben gedaan.

De praktijk is anders. Zoals recent weer eens bleek, zijn prijsafspraken tussen aannemers in Nederland eerder regel dan uitzondering en bovendien legaal. In die situatie is de opdrachtgever in een aanmerkelijk ongunstiger positie. De gegadigden kunnen onderling afspreken wie het werk tegen welke prijs gaat uitvoeren. De opdrachtgever is de dupe: bij een openbare aanbesteding is hij verplicht de goedkoopste inschrijver het werk te gunnen, ook al is diens prijs eigenlijk veel te hoog.

Ook als prijsafspraken niet waren toegestaan, is het de vraag of die in het kleine wereldje van de aannemerij niet zouden voorkomen. Soms, bij zeer omvangrijke of gecompliceerde projecten als de Oosterscheldedam, gaat de opdracht naar een combinatie van bedrijven; van vrije inschrijving is dan helemaal geen sprake.

Omdat aan de officiële procedure voor de opdrachtgever dus aanzienlijke nadelen kunnen kleven, gaat men in de praktijk vaak anders te werk. Bij de Nederlandse Spoorwegen is het bijvoorbeeld gebruikelijk dat de opdrachtgever op basis van een ontwerp met één aannemer over de prijs onderhandelt. Dit verplicht hem tot niets: als zij het over de prijs niet eens worden, kan hij de onderhandelingen afbreken en met een concurrent in zee gaan. Door meer kandidaten zo tegen elkaar uit te spelen, heeft de opdrachtgever een veel grotere invloed op de prijs dan bij een openbare aanbesteding. De keuze van de Indonesische overheid voor Hollandia Kloos hoeft ook niet het resultaat te zijn van handjeklap achter de schermen, maar kan ook de uitkomst zijn van een procedure die voor de opdrachtgever zeer aantrekkelijk is.

Bij aanbestedingen van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking liggen de verhoudingen ongetwijfeld anders dan bij opdrachten binnen Nederland. De opdrachtgever en de financier zijn verschillende instanties en kunnen tegenstrijdige belangen hebben, zoals bleek uit het rapport Hulp of Handel? Volgens dit rapport heeft de Indonesische overheid wel degelijk een prijsvergelijking gemaakt. Alleen als de uitkomsten daarvan openbaar worden gemaakt, kan worden beoordeeld of de concurrentie inderdaad voor 20 à 25 procent minder geld dezelfde bruggen hadden kunnen ontwerpen en bouwen. Dan zal blijken of Hollandia Kloos echt de beste keus was, of dat het toch voordeliger was geweest de officiële aanbestedingsregels te volgen en de goedkoopste aannemer in de prijzen te laten vallen. In het laatste geval zou een nader onderzoek naar de contacten tussen Hollandia Kloos en de Indonesische overheid geen luxe zijn.

Een openbare aanbesteding is voor de opdrachtgever dus niet altijd de beste procedure. Een strikt neutrale opstelling van de overheid in dit soort zaken verdient natuurlijk alle lof. Elke schijn van partijdigheid moet worden vermeden, vooral als de premier zulke nauwe banden met een groot aannemersbedrijf heeft. Het is echter idioot als de overheid zich plus royaliste que le roi moet gedragen, terwijl zij tegelijkertijd de aannemers alle vrijheid geeft prijsafspraken te maken. Wie dat doet, vraagt erom uitgeknepen te worden.