EG: begin volgend jaar gesprek met nieuwe leden

LUXEMBURG, 22 JUNI. Onderhandelingen met kandidaat-leden voor de Europese Unie kunnen "zo vroeg mogelijk volgend jaar' beginnen, zo is zaterdag door de ministers van buitenlandse zaken van de EG in Luxemburg afgesproken. Het zal gaan om die landen die nu deel uitmaken van de Europese Vrijhandelsassociatie: Zwitserland, Oostenrijk, Zweden en Finland.

Meldt ook Noorwegen zich nog voor het eind van dit jaar aan, dan kan ook dat land tot de eerste golf van nieuwe toetreders tot de Europese Unie gaan behoren.

De meeste lidstaten vinden dat het Verdrag van Maastricht geratificeerd moet zijn voordat de onderhandelingen kunnen beginnen. Nederland en Groot-Brittannië menen echter dat onderhandelingen ook voor de formele ratificatie van het Verdrag mogen beginnen. Het moet dan wel duidelijk zijn dat het Verdrag dan niet meer op moeilijkheden stuit. Londen hecht grote symbolische waarde aan een begin van de onderhandelingen nog dit jaar. De Britten, die komend half jaar voorzitter zijn van de EG, menen dat daarmee ratificatie van het Verdrag door de huidige Twaalf zal worden vergemakkelijkt.

Een definitieve beslissing wordt op de Europese Raad van regeringsleiders volgende week in Lissabon genomen. In Luxemburg is al wel vastgelegd dat nieuwe leden zich expliciet moeten aansluiten bij het gezamenlijk te voeren buitenlands- en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. De nieuwe leden mogen hun traditionele neutraliteit niet gebruiken om de ontwikkeling van die kant van de Unie te blokkeren, zo vinden de Twaalf. De Europese Unie komt neer op een gemengd federaal-intergouvernementeel bestuurd Europa, zonder grenscontroles, met één munt en één markt, gecontroleerd door twaalf nationale en één Europees parlement.

Op voorstel van de Benelux werd vastgelegd dat de EG-instellingen na de toetreding niet ingrijpend hoeven te worden gereorganiseerd. Iedere lidstaat moet recht blijven houden op een Commissaris. Het roulerend voorzitterschap blijft gehandhaafd, evenals het huidige talenregime. Ook de machtsverhoudingen in de Europese ministerraden blijven ongewijzigd. Om meerderheden in de raden te krijgen zullen dus steeds combinaties van grote en kleine lidstaten nodig blijven.

Commissie-voorzitter Delors verraste de ministers met een uiteenzetting over wat Van den Broek een “nieuwe stijl van Europees bestuur” noemde. Een overzicht van bevoegdheden, onder meer op het terrein van de warenwet en de milieuwetgeving, die de Commissie zou willen afstaan aan de nationale overheden. Waarschijnlijk zal dat in Lissabon in een verklaring door de regeringsleiders worden vastgelegd. De Commissie verklaarde zich alvast bereid in de toekomst uiterst terughoudend op te treden met wetgeving. Bij ieder Europees wetsvoorstel zal de Commissie voortaan expliciet rechtvaardigen waarom EG-ingrijpen nodig is.

De ministers spraken ook af dat de EG, alvorens nieuwe leden toe te laten, het eens moet worden over het meerjarenplan voor de financiering. In Luxemburg werd duidelijk dat het voorstel van Commissievoorzitter Delors om tussen 1993 en 1997 de uitgaven fors te verhogen in Lissabon nog niet zal worden geaccepteerd. Tot woede van vooral Ierland en Spanje spraken de ministers in Luxemburg al af in ieder geval tot 1995 het uitgavenplafond te bevriezen op het huidige niveau van 1.2 procent van het Bruto Nationaal Produkt. De Commissie wenst de komende vijf jaar de contributie geleidelijk te verhogen tot 1.37 procent per lidstaat, waardoor het budget van Brussel stijgt van 66 naar 88 miljard ecu. Het extra geld zou via een zogeheten "cohesiefonds' vooral ten goede moeten komen aan de vier armere lidstaten: Spanje, Ierland, Portugal en Griekenland.

Na een aantal vrij negatieve EG ministersconferenties over dit plan groeit in deze landen de vrees dat de acht rijkere lidstaten niet bereid zullen zijn om de financiële consequenties van het Verdrag van Maastricht te dragen. Deze brengen daar echter tegenin dat de Commissie onder het huidige uitgavenplafond van 1.2 procent nog vijf miljard ecu beschikbaar heeft om de ambities van "Maastricht' uit te voeren. Nederland hoeft nu bijvoorbeeld maar 1.14 procent van het BNP aan Brussel af te dragen. Ook hebben de rijkere lidstaten uit de ontwerp-begroting voor 1993 van de Commissie niet de indruk gekregen dat er extra geld nodig is. Doordat de landbouw uitgaven zijn gedaald gaat de contributie volgend jaar namelijk omlaag tot 1.1 procent.

Daarnaast bestaat er bij de rijkere landen wantrouwen tegen de manier waarop het geld door Brussel wordt uitgegeven. Een beslissing over een structurele uitgavengroei na 1995 wordt dan ook pas op de top in december in Edinburgh verwacht. Nederland, Engeland en Duitsland voeren het verzet aan tegen een verhoging van de contributie. Voor Nederland zou het oorspronkelijke plan van de Commissie zijn neergekomen op een extra bedrag van 1725 miljoen gulden in 1997. In Lissabon wordt alleen een herbevestiging verwacht van de afspraak uit Maastricht om via subsidies de economische en sociale cohesie tussen de armere en de rijkere lidstaten te vergroten. Volgens minister Van den Broek zullen er in Lissabon zeker geen bedragen worden vastgelegd.