Burgers

De leeuwen, die de villa van mijn grootouders in Velp onveilig maakten, waren ontsnapt uit Burgers. Burgers was voor ons Arnhemmers de huis-dierentuin, de mooiste van het land, van de wereld. Op dit punt was elke twijfel uitgesloten, want we kenden geen andere. Nog steeds ervaar ik het bezoek aan een andere dierentuin als een vorm van verraad.

Ik herinner me de papegaaien bij de ingang, pas op dat ze je niet in je vingers bijten. De zeeleeuwen, altijd schor van het roepen om vis. De bavianen, hoe moeilijk het was een pinda bij zo'n zielig kleintje te krijgen, dat dan toch weer werd beroofd door zijn vreselijke vader. De wolven, hun treurige gedraaf langs het gaas rond een huisje met grootmoeder achter het raam en Roodkapje aan de deur. De ijsberen, waarvan er eens één een zieke duif gevangen had, wat een pret had het dier.

Ik herinner me vooral de bruine beren. Hoe ze rechtop gingen staan en je aankeken en hun voorpoten bewogen. Het ongelukkige gezicht dat ze daarbij trokken, alsof ze zojuist het liefste van hun leven waren kwijtgeraakt. Wat je ze ook toegooide, als ze weer overeind kwamen, was hun gezicht nog even ongelukkig. Als ik kon tekenen, zou ik het kunnen tekenen, zo scherp zie ik het voor me. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik geloof dat het ze niet om wat lekkers te doen was, maar om onszelf. Kom toch hier, wenkten ze, kom nou toch bij me.