"Bepalingen OV-kaart studenten in strijd met burgerlijk wetboek'

ROTTERDAM, 22 JUNI. Een groot deel van de leveringsvoorwaarden die de OV-Studentenkaart BV hanteert, is in strijd met de wet. De bepalingen zijn volgens het onlangs ingevoerde burgerlijk wetboek "onredelijk bezwarend' en het gebruik ervan moet door de rechter worden verboden. Dit concludeert de juriste M. van Laaren in de doctoraalscritie waarop zij onlangs is afgestudeerd aan de universiteit van Utrecht.

Volgens Van Laaren hanteert de OV-Studentenkaart onder meer de omgekeerde bewijslast (de student moet aantonen dat hij niet fraudeert) en sluit zij de gang van de student naar de burgerlijke rechter uit als deze niet binnen zes weken na een beslissing schriftelijk heeft gereageerd.

Dit soort bepalingen in de algemene voorwaarden zijn sinds de invoering van het nieuw burgerlijk wetboek op 1 januari 1992 verboden. Weliswaar geldt voor de al bestaande leveringsvoorwaarden een overgangsjaar, maar volgens Van Laaren kan een aantal bepalingen ook nu al voor vernietiging aan de rechter worden voorgelegd.

Van Laaren constateert verder dat de voorschriften in de studiefinancieringswet over het verstrekken van de vervoerkaart in strijd zijn met bepalingen in het burgerlijk wetboek die de bescherming van de consument beogen. Zo is het verschil groot tussen het bedrag dat de OV-Studentenkaart betaalt als de student ten onrechte niet over de kaart kan beschikken en de boete die de student moet betalen als hij de kaart te laat inlevert.

Een woordvoerder van de OV-Studentenkaart erkent dat het verschil tussen beide bedragen (respectievelijk 60 en 360 gulden per maand) erg groot is. “Dat ligt zo in de studiefinancieringswet vast. Om daaraan iets te veranderen is een wetswijziging nodig.” Op dit moment wordt volgens hem hard gewerkt om de Algemene Voorwaarden aan te passen aan de eisen van het nieuw burgerlijk wetboek. “Bij de kaart die de studenten in november krijgen, zitten Algemene Voorwaarden die wel voldoen aan het nieuwe wetboek”, verzekert hij. “Dat was vorig jaar nog niet nodig.”

Ook handelt de OV-Studentenkaart B.V. in strijd met de uitspraak van de Haagse rechtbankpresident, zo constateert Van Laaren. Deze bepaalde in april 1991 in kort geding dat studenten binnen twee weken een duplicaat van de openbaar vervoerkaart moesten krijgen. In de leveringsvoorwaarden die voor dit jaar gelden noemt de OV-Studenkaart BV een termijn van drie weken. “Dat was nodig voor het hoger beroep dat wij tegen de uitspraak hebben overwogen”, zo laat de OV-Studentenkaart weten. “In de praktijk houden wij ons aan de twee weken. Duurt het langer dan kan de student aanspraak maken op vergoeding.”