"Afsluiten van de weg voor concurrenten op zich niet onoirbaar'; "Affaire-Baars is een uitzonderlijk incident'

Al maanden beheerst de affaire-Baars de Limburgse en landelijke pers. Volgens de voorzitter van de Nederlandse vereniging van wegenbouwers ir. G.J. van Herrewegen is er structureel niets aan de hand in de wegenbouw en gaat het om een incident dat zich toevallig in Limburg afspreelt.

UTRECHT, 22 JUNI. “Waarom wordt de hele aannemerij naar aanleiding van één incident in Limburg zo veroordeeld? Wat doen we verkeerd met z'n allen dat zo gemakkelijk veronderstellingen over handjeklap met bestuurders en ambtenaren worden geuit? Bouwen we zo verkeerd aan ons imago of worden we nog altijd beschouwd als het klootjesvolk van Nederland?”

Prangende vragen waarop voorzitter ir. G.J. van Herrewegen (een handdruk met de kracht van een grondverzetmachine) van de Nederlandse vereniging van wegenbouwers niet zo direct een antwoord heeft. “Vooral de Limburgse pers”, zegt hij in het kantoor van Koninklijke Wegenbouw Stevin in Utrecht, waarvan hij directeur is, “heeft de affaire rond wegenbouwer Baars nogal gekleurd naar buiten gebracht: veel geruchten en weinig zekerheden. Maar ik kan met de hand op mijn hart verzekeren dat zaken, waar het nu over gaat, nergens in Nederland spelen, met uitzondering van een enkel incident. En dit incident speelt zich nu per ongeluk af in Limburg.”

Zelf had de vereniging (220 leden, 20.000 arbeidsplaatsen, gezamenlijke omzet 3 miljard gulden per jaar, met als belangrijkste opdrachtgever de overheid met tachtig procent) niet op de Limburgse affaire willen reageren. “We ondernemen geen acties omdat we denken dat de zaak, die bovendien nog gedeeltelijk in onderzoek is, daarmee niet is gediend. In dit soort gevallen sta je altijd voor het dilemma van tegenspreken of doodzwijgen. We hebben voor het laatste gekozen, in de verwachting toch niet te worden geloofd. Maar een gesprek op verzoek, zoals dit, gaan we niet uit de weg, want we hebben niks te verbergen.”

De feiten zijn bekend: de Limburgse aannemer J. Baars uit Klimmen, zelf lid van de wegenbouwersvereniging, gaf steekpenningen aan een oud-wethouder en een oud-ambtenaar van de provincie, die op basis daarvan werden veroordeeld. Tijdens de rechtszaak in april, waarin Baars als getuige optrad, kwam er een rapport van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingdienst (FIOD) aan de orde, waarin de wegenbouwer bekende veel vaker steekpenningen te hebben uitgedeeld, omdat, zoals hij zei, het anders onmogelijk was om aan werk te komen.

“Wat in het bedrijf van Baars usance is, weet ik niet, maar bij ons eigen bedrijf en bij het merendeel van onze leden komt het in ieder geval nooit voor. Het zijn verhalen, die over Limburg worden verteld; ik kan ze niet controleren en ik heb er met Baars ook geen contact over gezocht. Maar op deze wijze doen we in het algemeen beslist geen zaken. Als ik als directeur van dit bedrijf met 1.800 werknemers en met een jaaromzet van 600 miljoen gulden met attenties zou proberen werk te kopen, dan ben ik op hetzelfde moment chantabel en bezig mijn eigen graf te graven. En elke ondernemer is met de continuïteit op de lange termijn bezig en niet met het behalen van een dagsuccesje.”

Maar hoe het ook zij, volgens Van Herrewegen heeft de affaire-Baars het imago van de wegenbouwers “behoorlijk beklad”. Over de Maastrichtse affaire, waar een groepje van eerst zes en later vijf aannemers op afspraak met de gemeente alle voorkomende werkzaamheden op het gebied van de wegenbouw mogen uitvoeren, zegt Van Herrewegen: “Op zich is dat niks onoirbaars. Wat is daar op tegen? Afsluiten van de weg voor concurrenten? Die kunnen toch ook de laagste prijs bieden en er zo tussenkomen.”

“Iets anders is als men afspraken maakt over wie op een gegeven moment voor een opdracht in aanmerking komt en tegen welke onderling afgesproken prijs, zoals in de pers is beweerd. Dat is wél onoirbaar en in strijd met het Besluit mededingingregelingen van april 1987, maar ik weet niet of daarvan in Maastricht sprake is.”

In een rapport, dat Economische Zaken vorig jaar liet maken door het Amsterdamse onderzoeksbureau Van de Bunt over de naleving van het besluit, worden met name de aannemers in de grond-, weg- en waterbouw (de zogenoemde GWW-sector) gekapitteld. “Er zijn”, aldus de rapporteurs, “belangrijke signalen dat de invoering van het besluit weinig effect heeft gehad op de mate waarin sprake is van ongeoorloofde afspraken in de GWW-sector. (-) Er bestaan aanwijzingen dat er nog steeds voor-vooroverleg plaatsvindt, in het bijzonder in de GWW-sector. Ook is er nog altijd sprake van combinatievorming.” Voor-vooroverleg is het overleg dat vroeger voorafging aan het vooroverleg, waarbij aannemers onderling afspreken wie de laagste inschrijver zal zijn, een door de Europese Commissie voordeelde wijze van kartelvorming.

Zowel het voor-vooroverleg als combinatievorming worden als economische delicten beschouwd. Met de beoordeling van de waarde van dat rapport is Van Herrewegen vlug klaar: “Er werden slechts twee mensen uit onze branche geïnterviewd, dus kan het onderzoek onmogelijk worden beschouwd als representatief. Conclusies op basis daarvan snijden geen hout.”

En vervolgens stelt hij zich de algemene vraag wat er toch aan de hand is dat zijn branche in zo'n verkeerd daglicht wordt gesteld. “Dat we nog altijd het vroegere ambachtelijke imago hebben, is, als u kijkt naar de machinerieën die wij bij projecten gebruiken, allang achterhaald. De tijden zijn voorbij dat wegenbouwers sjofel gekleed en met de pet in de hand aan een overheidsinstelling vroegen of er misschien nog wat te werken viel. Onze branche is sterk geïndustrialiseerd, we hebben ingenieurs en andere academisch gevormde deskundigen in dienst. We zijn geëmpancipeerd en daarin past gekonkelfoes en omkoperij niet meer. Maar natuurlijk kan ik niet voor elk van onze leden mijn hand in het vuur steken.”