Zo was het

Wanneer ik zou moeten opschrijven, waar ik zoal in mijn leven bang voor ben geweest, zou de hele achterpagina nauwelijks voldoende ruimte bieden. Natuurlijk zijn sommige van die angsten weggeëbd of door de tijd achterhaald maar er zijn er ook die, ondanks het verstrijken van de tijd, nog duidelijk herkenbaar, ja zelfs voelbaar zijn.

Bang was ik bijvoorbeeld - en dat weet ik nog heel duidelijk - bang was ik voor de straatzanger en zijn vrouw. Ik was in de tijd dat hij optrad een jaar of vier en wij woonden op een bovenhuis. Voor zover ik weet woont een mens kennelijk nooit in maar op een bovenhuis, een bizar taalgebruik, dat onmogelijk aan de realiteit kan zijn ontleend. Door de straat, waar wij woonden, reed een tram en de straatzangers bevonden zich tussen het trottoir en de tramrails. Auto's waren er in die jaren niet, ik bedoel privé-auto's. Tenminste niet bij de mensen uit onze buurt. Men nam de tram. En wanneer er grote haast was geboden bestelde je een taxi. De taxichauffeur droeg een soort uniform, een platte donkere pet en een lange jas. Zijn stuur en zijn zitplaats waren van de passagier gescheiden door een glazen schuifraam: de schoonheid van het conduite intérieure werd pas vele jaren later ontdekt.

Het was, als je je deze stille straat-situatie voor de geest haalt, dus helemaal niet vreemd, dat je, binnenskamers, het lied van de straatzangers horen kon.

''Moet die armoe nog langer dúúúren

Komt er nooit een einde aan...''

Dat zongen zij, zichzelf steeds herhalend. Ik hoor het nog, alsof het gisteren was. Al zingend zochten hun ogen de vensters van de huizen af en als er dan een raam werd opengeschoven - in die jaren werden ramen niet geopend maar opengeschoven - probeerde de vrouw het 2½-cent stuk, verpakt in een papiertje, op te vangen. Een 2½-cent stuk was de gangbare gage. Er kwam zo nu en dan misschien eens een stuivertje naar beneden maar een dubbeltje was uitgesloten: we waren geen parvenus.

Het bevreemdt mij nu, dat niemand in mijn omgeving zich toen verdiepte in het leven van de straatzangers. De man ging letterlijk in lompen gehuld en droeg een pet-achtig mutsje. De vrouw had een mantel aan. Geen jas maar een echte mantel. Zij was blootshoofds, wat een zeldzaamheid was, want iedereen droeg een hoed. En wie niet iedereen was, had toch in elk geval een doek over de haren geslagen. Er waren, in flagrante tegenstelling met de hedendaagse gemeenschap, geen maatschappelijke instanties tot wie de straatzangers zich automatisch hadden kunnen wenden. Of praatgroepen. Ik herinner mij op dit gebied slechts een blikken busje op de hoek van onze schoorsteenmantel. Daar stond in rode, met goud ombiesde letters op te lezen: "Liefdadigheid naar Vermogen'. Het busje werd eens in de maand opgehaald en ik heb nooit gehoord dat dat fout ging. Dat de ophaler van de busjes een buitenhuis was begonnen in Peru. Wel herinner ik mij het haastig getik-tik-tik, wanneer iemand voor het busje kwam en mijn moeder plotseling vond, dat er niet voldoende in zat.

Maar de route van de straatzangers naar die liefdadigheid naar vermogen ken ik niet. Wanneer hij zijn tour de chant heeft beëindigd weet ik evenmin. Toen ik vijf jaar was geworden, gingen wij verhuizen. In de straat waar wij toen gingen wonen, kwamen de straatzangers niet. Te weinig opschuiframen, vrees ik.

En langzaam, maar onafwendbaar zeker, nam het verkeer toe. Meer trams, privé-auto's, motorfietsen. Zo lang duurde het niet meer of je kon, op straat, door al dat lawaai nog nauwelijks gewoon met elkaar praten. Laat staan dat je, als je thuis zat, nog iemand kon horen, die, buiten, op zelf verzonnen muziek droevige vragen stelde aan de maatschappij. De instellingen en de automatische draaiorgels namen de zaak over. Vijfkoppige bands etaleerden hun instrumentale mogelijkheden op fluwelen gordijnen. Muziek genoeg, herrie genoeg. Maar de straatzanger en zijn vrouw blijven in mijn gedachten. Al weet ik, dat ze me nu een wijkzuster zouden sturen, als ik een 5-centstuk uit mijn raam gooien zou.