Zelfbestuur brengt staalindustrie in Oekraïne vooral extra "vakantie'

DNEPROPETROVSK, 20 JUNI. Elke maandagmiddag vanaf twee uur houdt de directeur spreekuur. Op de stoeltjes bij zijn secretaresse schuiven ze dan aan, de werknemers met hun klachten. De één is angstig en deemoedig, de ander agressief. Soms komen beide gemoedstoestanden in één gezin voor. “Achtendertig jaar hebben we hier gewerkt. Alles is ons beloofd. Niets is ervan terecht gekomen. Zelfs de deur van ons huis wordt niet meer gerepareerd. Dit is nu al de derde keer dat ik daarvoor bij de directeur moet komen”, moppert een oudere vrouw terwijl haar echtgenoot met gebogen hoofd door de gang ijsbeert. Alleen een tranquilizer, die ze terloops uit haar tasje neemt, kan haar enige rust brengen. Boven het hoofd van de directiesecretaresse kijkt president Leonid Kravtsjoek van de Oekraïne, gehuld in sportief leren jack en kabeltrui, vanaf de muur toe. Buiten houdt een spandoek ("Leve de arbeidersklasse, de drijvende kracht van onze maatschappij') een oogje in het zeil.

Directeur Vasilij Derivankov zit intussen binnen met businessmenni te praten. Het wekelijkse klachtenuurtje is voor hem een rudiment uit vervlogen tijden. Want normaal gesproken is Derivankov met grotere zaken bezig. Sinds de communistische bureaucratie in Moskou haar centrale greep op de industrie heeft verloren, moet hij zijn fabriek zelf zien te runnen. En dat bevalt hem enorm. Het is voor Derivankov, tot augustus vorig jaar nog communist van onbesproken gedrag, welhaast een bevrijding. De directeur is nu namelijk zelfstandiger dan ooit. Hij hoeft zich niet meer pro forma te verantwoorden ten overstaan van de partij. Hij kan tegenwoordig ontslaan dat het een lieve lust is en heeft zelfs geen last van aandeelhouders. Want, zoals bijna overal in de Oekraïne en Rusland waar de groei van het aantal particuliere bedrijven de vijf procent niet overstijgt, is er ook in deze fabriek van privatisering nog nauwelijks iets terecht gekomen. De ondergang van het centralisme is hier eveneens uitgedraaid op een onderhandse management by-out zonder dat er iemand bij aan te pas is gekomen.

Twaalfduizend mensen werken er in zijn bedrijf, een gecombineerde hoogovens- en staalonderneming die hier in Dnepropetrovsk 105 jaar geleden is opgericht door industriebaron Petrovskij. De Petrovskij Zavod is sinds de oktober-revolutie altijd een bolsjewistisch paradepaardje geweest. Uit deze stal kwamen de meest "klassebewuste werkers' voort. Het management had vervolgens het geluk dat secretaris-generaal Leonid Brezjnev zijn carrière in Dnepropetrovsk was begonnen en zijn oude streekgenoten al die jaren met privileges bleef gerieven. De partijleider had in Moskou tenslotte niet voor niets een "Dnepropetrovskmaffia' om zich heen verzameld. Vasili Derivankov zelf is daarvan bij uitstek het produkt, anders zou hij in 1980 na 26 jaar trouwe dienst niet tot directeur zijn benoemd. Dat er in die hele eeuw nauwelijks een kopeke in de fabriek was geïnvesteerd, werd derhalve verzwegen.

Totdat het vijf jaar geleden mis ging. Inderdaad, de perestrojka was het breukpunt. Partijleider Gorbatsjov was er in 1986 als de kippen bij om de Petrovskij-fabriek te bezoeken. Hij zag de treurige toestand der produktiemiddelen en beloofde geld. Ze wachten er in Dnepropetrovsk nóg op. Hetgeen zijn populariteit bepaald geen goed heeft gedaan. Nog altijd spreken de arbeiders, van wie toch 20 procent lid was van de partij, louter in termen als "bedrog' over hem. “Perestrojka? We dachten dat het beter zou worden. Nu hebben we dan toch begrepen dat het er alleen maar slechter van geworden is”, aldus Volodimir, voorman van een van de "brigades' die convertoren voor de ijzererts-versmelting draaiende moeten houden.

Toen vorig jaar de mijnwerkers in de Donbass in staking gingen, leken de laatste uren voor de fabriek geslagen te hebben. De Petrovskij Zavod bleef plots verstoken van grondstoffen. De werknemers moesten met onbetaalde vakantie.

Nu gaat het weer beter. Weliswaar beschikt het bedrijf amper over cash flow. Wegens gebrek aan liquide middelen doet ook de Petrovski Zavod met andere bedrijven slechts zaken in papieren schuldbekentenissen - maar liefst 50 procent van de omzet, waarvan de solvabiliteit overigens nog maar afgewacht moet worden - omdat ze anders de lonen niet contant zou kunnen uitbetalen. Maar volgens het kasboek is er in het eerste kwartaal van het jaar toch een winst van 1,35 miljard roebel geboekt. De omzet wordt dit jaar geraamd op 20 miljard roebel (ongeveer 150 miljoen dollar). Dat is opmerkelijk in een land waar de industriële produktie dit jaar 15 procent is gekelderd.

Het relatieve herstel van de Petrovskij-fabriek is te danken aan de monopoliepositie van de fabriek. Er wordt in de hele ex-unie namelijk geen auto gemaakt die niet op krukassen en velgen uit Dnepropetrovsk rijdt. Het is volgens Derivankov echter ook op het conto te schrijven van het nieuwe management in zijn fabriek. Geen "plannen' meer uit Moskou, geen centraal gereguleerde "loonschalen' meer, geen onwrikbare prijscouranten meer en geen van boven vastgesteld aantal "adjuncts' en "produktiechefs' meer.

Nee, het enige waarmee hij tegenwoordig soms wordt lastigevallen is een telefoontje van een van de ministeries in Kiev die vooral uit zijn op 60 procent van de export, die het afgelopen jaar goed was voor 40 miljoen dollar. Een waanzinnige belasting, aldus Derivankov. “Daar doen we het natuurlijk niet voor.” Derivankov is dan ook op zoek naar Westerse partners, die via "barter' een deel van de produktie op zich willen nemen en hem zo de mogelijkheid bieden om de fiscale wurggreep van de Oekraïense staat te ontduiken.

Maar structurele veranderingen in de bedrijfsvoering zijn dit niet. De Petrovskij-fabriek is nog altijd een halve maatschappij, zoals Philips dat ook is, met een bedrijfskrant (de Triboena Metaloerga), eigen woningen verspreid over 430 gebouwen, een ziekenhuis met vijfhonderd bedden, een polikliniek, een voetbalstadion voor 35.000 mensen, restaurants en kantines, vijftien creches voor 1.500 peuters, een jeugdkamp voor 500 kinderen, 400 vakantie-appartementen, vier sanatoria op de Krim, in de Kaukasus en de Karpathen, een vleesverwerkende fabriek en zelfs een eigen kolchoze met 350 koeien en 350 Hollandse kalveren.

Al deze secundaire taken en arbeidsvoorwaarden die het management als een loden last op de schouders liggen - directeur Derivankov heeft die 350 kalveren vorig jaar zelf in Duitsland moeten aankopen - moeten nu net als de fabriek geprivatiseerd worden. Maar aan wie? De arbeiders laat de kwestie koud. Geschoold arbeider Ivan (kortom, een "ingenieur', zoals iedereen in de voormalige Sovjet-Unie wordt genoemd die meer heeft dan LTS) ziet er bijvoorbeeld geen gat in. Hij werkt al dertig jaar bij de fabriek. “Privatiseren? Hoezo? We hebben geen geld daarvoor. En als we het zouden hebben, wie zou deze oude troep dan willen kopen? Het wordt alleen maar erger en erger. Alles is in elkaar gestort. Wie weet wie er morgen de macht zal hebben? Onze politici zijn allemaal als Churchill. De ene dag liberaal, de volgende ineens conservatief”.

Om nog maar te zwijgen van de arbeidsmoraal op de fabriek. Die is ook aan enige verandering toe. In de Petrovskij Zavod werken de arbeiders in vier "brigades' in een drieploegen-dienst. We zouden er tijdens ons bezoek dus drieduizend aan de slag hebben moeten zien. Maar als we er alles bij elkaar honderd met de handen uit de mouwen hebben aangetroffen, dan is het veel. Precies de werknemers bovendien die hoog geschoold zijn, kortom, de mannen die meer dan 15.000 roebel per maand verdienen en nu, voor zolang het duurt, redelijk content zijn. Zoals Dmitri, de produktiechef in de nog geen drie jaar oude hal waar het ruwe ijzer tot halffabrikaat wordt verwerkt. Hij heeft plezier in zijn werk (“als het goed gaat, is dat nu tenminste onze verdienste”) en verhaalt met genoegen hoe fijn z'n vrouw (een arts) het vindt dat haar man als blauweboord-arbeider tegenwoordig tien keer zo veel verdient als zij.

Totdat ik hem vraag hoeveel vakantie hij per jaar eigenlijk heeft. “Vijfenveertig dagen”. Hij ziet me bijna omvallen van verbazing. “En jij?”. “Vijfentwintig”, zeg ik. “Tja, Japanners zullen we nooit worden. Maar als ik in Nederland zou kunnen werken, zou ik meteen gaan. Zelfs als ik geen enkele dag vakantie zou krijgen”.

Foto: De hoogovens in de Oekraïnse stad Dnepropetrovsk. (Foto Oleg Klimov)