Vervlogen bevrijding; Het Polisario eet zijn eigen kinderen op

Van de geloofwaardigheid van het Polisario, de Westsaharaanse bevrijdingsbeweging, is weinig meer over. De leiding komt elk jaar een nieuw "komplot' op het spoor. "Al jaren wordt er in de vluchtelingenkampen gemarteld. Wie ernstig verdacht werd, kreeg met een roodgloeiend ijzer de letters FP (Frente Polisario) in zijn lichaam gebrand.' Abdel Rahman Leibek en "Barazani', die eerder in de bevrijdingsbeweging een hoge positie bekleedden, zijn overgelopen naar Marokko, de voormalige vijand. Waarschijnlijk net op tijd. "In de kampen bestaan er geen wetten, zijn er geen advocaten. Er zijn alleen aanklagers, folteraars en rechters, vaak bestaande uit één en dezelfde persoon.'

Nog geen twintig jaar geleden was de wereld verdeeld in degenen die heilig geloofden in een samenleving waarin kapitaal en politieke vrijheid een ondergeschikte rol speelden, en hen die dat concept ten stelligste afwezen. De voorvechters van de nieuwe samenleving die op economische gelijkheid en op sociale rechtvaardigheid moest berusten, dachten met het - desnoods geforceerd - scheppen van nieuwe maatschappelijke voorwaarden, "de nieuwe mens' te kunnen creëren. Die nieuwe mens zou minder bedacht op zijn eigen belang. Hij zou minder de weg volgen van vroeger tijden, toen uitbuiting van machtelozen en automatische aanhankelijkheid op grond van traditionele banden vanzelfsprekend waren.

Eén van de bewegingen die deze weg wilden bewandelen, was Polisario, de bevrijdingsbeweging van de Westelijke Sahara. Gesteund door het overtuigd republikeinse Algerije, streed Polisario onvermoeibaar tegen Marokko, één van de meest traditionele monarchieën ter wereld, waar de koning geen tegenspraak duldt in zijn beslissingen over het wel en wee van zijn onderdanen en over de verdeling van hun inkomsten.

Toen Marokko zich in 1975 meester maakte van de Spaanse kolonie Westelijk Sahara, zochten duizenden Westsaharanen in Algerije hun toevlucht tegen het Marokkaanse geweld. Daar werden zij in de omgeving van Tindouf in vluchtelingenkampen opgenomen. Internationale en Westerse hulporganisaties ontfermden zich over de vluchtelingen, die geleidelijk een eigen, zij het zeer moeizaam collectief bestaan opbouwden in de vluchtelingenkampen. Daar, zo leek het, had geld geen betekenis meer en sprak men uitsluitend over de strijd tot de eindoverwinning.

De journalisten die de kampen bezochten, berichtten in vaak indrukwekkende reportages over het vurige nationalisme van de inwoners, over hun wens naar hun vroegere woonoorden terug te keren om daar een onafhankelijke Westsaharaanse staat op te bouwen, en over de vrouwen die kort tevoren nog een ondergeschikte maatschappelijke positie hadden bekleed, maar nu vrij waren en gelijk aan de mannen.

In al die reportages ontbrak één vraag: hoe kon een zeer traditionele nomadenbevolking, die in stammen was onderverdeeld en die zich nooit iets van internationale grenzen had aangetrokken, nu opeens zo nationaal denken en voelen? Bedoeïenen hebben hun eigen zeer strikte normen en zijn bijna altijd openlijk of verstolen in opstand tegen het centrale gezag dat hun zijn wil tracht op te leggen. In het waardenstelsel van de bedoeïenen zijn de begrippen "nationale staat' of "nationale eenheid' totaal onbekend. De Spanjaarden, die hun koloniën notoir verwaarloosden, hadden de bevolking van de Westelijke Sahara toch niet zodanig kunnen "moderniseren' dat de bevolking in een paar jaar tijd nationalistisch was geworden?

Stammen

Eén van de leidende figuren van Polisario die in de idealen van hun beweging geloofden, is de thans 44-jarige Abdel Rahman Leibek, petrochemisch ingenieur. Hij was hoofd van de Rode Halve Maan van het Polisario, het islamitische equivalent van het Rode Kruis, en in de kampen bij Tindouf directeur van een school voor politiek-ideologisch onderwijs aan de Saharaanse vrouwen. Maar op 27 februari 1990 liep hij naar Marokko over. Nu zegt hij: ""Er heeft nooit een Westsaharaans volk bestaan, er bestonden alleen stammen in de Westelijke Sahara die zich altijd met Marokko verbonden hebben gevoeld.''

Hij en andere ex-Polisario-leiders reizen de laatste tijd door West-Europa om een ieder die het wil horen duidelijk te maken dat Polisario een even dictatoriale als gewelddadige onderneming is geworden in handen van enkelen: een club misdadigers die, ten behoeve van haar eigen belangen en die van Algerije, de vluchtelingen in de kampen meedogenloos onderdrukt.

Zijn collega Mustafa Bouh, alias "Barazani', 38 jaar, voorheen lid van het Politieke Bureau van Polisario en politiek commissaris van het Polisario-leger, maar in februari vorig jaar naar Marokko overgelopen tijdens een officiële missie naar Mali, vult aan: ""Wij zijn niet de enige verantwoordelijken van Polisario die ons weer bij Marokko hebben aangesloten. Honderden anderen hebben dat, met gevaar voor eigen leven, eveneens gedaan. Onder hen zijn tien leden van het Politieke Bureau van Polisario (de hoogste beleidsinstantie), alsmede vele andere hoge kaderleden en legerofficieren. Zij voegden zich weer bij Marokko en Mauretanië, de landen waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. In de kampen van Tindouf wordt namelijk een deel van de internationale humanitaire hulp aan de kampbewoners ontvreemd en voor politieke omkoping van anderen gebruikt. Wie het daarmee niet eens is, wordt met gevangenschap en zware martelingen gestraft. In de loop der jaren is de onderdrukking steeds erger geworden.''

""Bovendien'', zo vervolgt hij, ""zijn de mensen in de kampen lang niet allen afkomstig uit de Westelijke Sahara. Sommigen van hen, Touaregs, komen uit de omgeving van Tindouf zelf, anderen uit Mali en Mauretanië. Hun aantal is ongeveer 30.000. Een deel vestigde zich uit vrije wil in de kampen om de ernstige droogte en hongersnood in hun gebieden te ontlopen. Maar na acht jaar had Polisario onvoldoende militairen om de oorlog verder te voeren. Daarom organiseerde het leger van Polisario razzia's in het noorden van Mali en Mauretanië, waar geen enkel overheidsgezag bestaat. Hele families werden opgepakt, meegenomen en vervolgens opgesplitst. Polisario nam hun alles af. De mannen werden in gevechtsbataljons ondergebracht, de vrouwen en kinderen naar de kampen gevoerd en daar gehersenspoeld.''

Huurlingen

Al deze mededelingen lijken als twee druppels water op hetgeen de Marokkaanse regering reeds vele jaren verkondigt: dat de meeste Polisario-strijders en -vluchtelingen geen èchte Westsaharanen zijn maar huurlingen, die hetzij vrijwillig hetzij gedwongen zich in dienst stelden van het Algerijnse streven naar hegemonie over Noord-Afrika.

De twee mannen beschrijven hun idealen van weleer. Abdel Rahman Leibek vertelt dat zijn vader een Marokkaans nationalist was. ""Maar ik behoorde tot de generatie van de jaren '60 en '70, toen Afrika zich van het kolonialisme bevrijdde. Voor ons, studenten, waren de ideeën van links de absolute waarheid. Wij geloofden in wat de mei-revolutie in Frankrijk verkondigde. Che Guevara was voor ons een profeet en het internationale socialisme was perfect. Aanvankelijk waren we helemaal niet zo voor afscheiding van Marokko, we waren er alleen op uit ons van Spanje te bevrijden en ons bij Marokko aan te sluiten.''

Hij zwijgt. Nu hij in dienst is van Marokko, valt het hem moeilijk te vertellen dat Polisario in die revolutionaire dagen vooral uit universiteitsstudenten bestond, die de bevrijdingsstrijd niet zozeer tegen Marokko voerden, maar in naam van het socialisme tegen Hassan II, Marokko's absolute vorst.

""Wij begrepen toen nog niet helemaal dat Spanje en Algerije parallelle belangen nastreefden'', vult "Barazani' aan. ""Spanje voorzag dat het de Westelijke Sahara niet eindeloos als kolonisator kon behouden. Maar Spanje wilde hoe dan ook het gebied, dat zeer rijk is aan fosfaten en vis, aan zich binden. De beste manier om dat te doen was, dacht men in Madrid, om van de Westelijke Sahara een nationale staat te maken die zwak genoeg was om van Spanje afhankelijk te blijven.

""Daarom begonnen de Spanjaarden al onder Franco vanaf 1966 op ons niet-bestaande nationalisme in te spelen. Vice-president maarschalk José Careiro Blanco sprak in 1966 voor het eerst van het Westsaharaanse volk. Saharaanse jongeren werden aangemoedigd om met Spaanse vrouwen te trouwen. En bij de laatste volkstelling van 1974 stelden de Spanjaarden voor de Westsaharaanse nationaliteit aan allen te geven "die deelnemen aan het economische, politieke en sociale welzijn van de Westelijke Sahara'. Volgens die definitie konden ook Spanjaarden de Westsaharaanse nationaliteit krijgen, zoals de manschappen van het Spaanse vreemdelingenlegioen.''

IJzererts

Naast Spanje wilde ook president Boumedienne van Algerije, die in een ideologische- en politieke machtsstrijd met koning Hassan was verwikkeld, een onafhankelijk Westelijk Sahara. Dat zou op economisch gebied enorme voordelen opleveren. Want dan zou de grootste ijzermijn ter wereld in Tindouf, in de grensstreek van Algerije en Marokko, eindelijk geëxploiteerd kunnen worden. Met de veel te lange verbindingen naar de Middellandse-Zeekust was dat economisch onhaalbaar. Als er echter een onafhankelijk, met Algerije verbonden Westelijk Sahara zou ontstaan, zou het Algerijnse ijzererts gemakkelijk uit Tindouf westwaarts, naar de havens aan de Atlantische Oceaan getransporteerd kunnen worden. Maar, zegt Abdel Rahman Leibek, ""de politiek-economische belangen van de buitenwereld speelden voor ons geen rol. Wij dachten alleen aan onze eigen idealen.''

Die idealen werden in strenge afzondering gekoesterd. Buitenstaanders mogen de vier ver van elkaar gelegen kampen in de woestijn bij Tindouf niet zo maar bezoeken; daarvoor is een speciale vergunning nodig, niet van het Algerijnse ministerie van binnenlandse zaken, maar van het Algerijnse ministerie van defensie. Want, zeggen de voormalige Polisario-notabelen, ""de kampen bij Tindouf staan onder de uiteindelijke controle van de Algerijnse militaire veiligheidsdienst, die de absolute macht heeft over Algerije en dus ook over ons. Wie de kampen bezoekt, staat onder voortdurende controle en begeleiding van de functionarissen.'' De kampbewoners mogen niet zonder toestemming van de leiding naar buiten. Polisario-vertegenwoordigers in het buitenland moeten dan ook altijd hun gezin in de kampen achterlaten. Dat spaart geld en garandeert dat zij zich naar wens gedragen. ""Onze vrouwen en kinderen zijn de permanente gijzelaars van de leiding'', zeggen de overlopers.

In de kampen probeerde Polisario een nieuwe klassenloze samenleving op te bouwen, waar tevens de begrippen "stam' en "stamverbondenheid' uitgewist moesten worden. Dat gebeurde door de wortels van de kampbewoners door te snijden, zowel sociaal als economisch. Er werd een politieke structuur gecreëerd onder leiding van een groepje mensen, bestaande uit zeven personen - de leiding van Polisario - dat, geholpen door een dertigtal kaders en ondergeschikten, nu al achttien jaar lang de gang van zaken bepaalt.

Tegenspraak en verzet worden volgens de overlopers zwaar bestraft. Drieduizend gewapende mannen zorgen voor de veiligheid in en rond de kampen. Daarnaast zijn alle kampbewoners verdeeld in politieke cellen. Elke politieke cel, bestaande uit elf personen, heeft een politieke commissaris die dagelijks rapport uitbrengt over de gedragingen van zijn cel-leden. Daardoor is de hoogste leiding op de hoogte van elke minimale afwijking of opstandigheid van de individuen. Wie zich volgens de leiding heeft misdragen, moet voor een revolutionaire rechtbank verschijnen en daar zelfkritiek uiten. Te weinig zelfkritiek leidt automatisch tot meer kritiek van de revolutionaire rechtbank en een zwaardere straf.

Om de zaak nog beter onder controle te houden, worden de kinderen vaak afgezonderd van de ouders. Sommigen zijn naar Cuba en Libië gestuurd om daar een opleiding te krijgen. Een speciaal comité beslist namens de leiding voor alle jongeren welke school of opleiding zij moeten volgen; de ouders mogen dat niet bepalen. Als de naar Cuba en Libië gestuurde kinderen na jaren terugkomen, zijn zij èchte Westsaharanen geworden, verlost van hun traditionele banden met hun familie, clan en stam.

Loyaal

Polisario heeft in dezen het voorbeeld gevolgd van zeker acht voormalige zwart-Afrikaanse dictaturen die zich marxistisch noemden, waaronder het Ethiopië van Mengistu Haile Mariam, Benin, Angola en Mozambique. Ook uit die landen werden duizenden kinderen - vaak buiten medeweten van hun ouders en bijna altijd zonder goedkeuring van hen - naar scholen en opleidingskampen in Cuba gestuurd. De bedoeling van de machthebbers was dat zij na tien of meer jaren afwezigheid van hun familie en stam "nieuwe mensen' waren geworden, die uitsluitend loyaal zouden zijn aan diegenen die hen hadden uitgezonden.

De kinderen, die in de kampen rond Tindouf blijven, staan - evenals hun ouders - onder strenge controle. Dat kan gemakkelijk omdat men hen zo ver mogelijk van hun ouders houdt. Ook zij zijn in groepjes georganiseerd onder toezicht van een eigen schoolpolitie.

Abdel Rahman Leibek en "Barazani' raakten na enige tijd volstrekt gedesillusioneerd. Elk jaar, zo vertellen zij, ontdekte de leiding wel een nieuw komplot dat bestraft moest worden. ""Vanaf 1974 werd er gemarteld. Wie ernstig verdacht werd, kreeg met een roodgloeiend ijzer de letters FP (Frente Polisario) in zijn lichaam gebrand. Als u naar Rabat komt, kunnen wij u in contact brengen met honderden mensen die deze behandeling hebben ondergaan. In de kampen bestaan er geen wetten, zijn er geen advocaten; er zijn alleen aanklagers, folteraars en rechters, vaak bestaande uit één en dezelfde persoon. Men vond altijd komplotten omdat de ontevredenheid toenam door de moeizame leefomstandigheden - gloeiende hitte overdag, ijzige kou 's nachts -, de niet minder problematische vooruitzichten op onze terugkeer, de volstrekte isolatie en de voortdurende controle op ons doen en laten, terwijl wij intussen onze zeggenschap over onze kinderen verloren.''

Abdel Rahman Leibek leefde niet in de kampen. Als petrochemisch ingenieur werkte hij bij de Algerijnse staatsonderneming EUNIP in de stad Skikda in het oosten van Algerije. Hij verdiende net zo veel als zijn Algerijnse collega's, maar hij stond onder streng toezicht van de Algerijnse militaire inlichtingendienst, die hem voor alle zekerheid zijn papieren had afgenomen. Hij beschikte uitsluitend over een rijbewijs, waarin zijn geboorteplaats Dakhla in de Westelijke Sahara was veranderd in Algiers. Officieel was hij Algerijn.

Genève

In september 1983 werd hij door Polisario naar Genève gestuurd. Op dat moment bevonden zijn vrouw en twee kinderen zich in Algiers; zij hadden toestemming gekregen om zich daar voor trachoma, een oogziekte, en diarree onder medische behandeling te stellen. Abdel Rahman Leibek had met zijn vrouw afgesproken dat zij bij de Iraakse ambassade in Algiers hulp zou vragen om naar Marokko te vluchten. Hij rekende op Iraakse steun omdat Algerije in die dagen meer op de hand was van Iran en dus op zeer slechte voet stond met Irak.

De Iraakse ambassade wilde echter geen risico's nemen. De vrouw en kinderen van Abdel Rahman Leibek werden in een auto van de ambassade naar de Marokkaanse ambassade gebracht, waar zij Marokkaanse paspoorten kregen. Maar aan de grens werden zij gearresteerd door de Algerijnse militaire veiligheidsdienst en naar een speciale gevangenis overgebracht, één van de geheime villa's van de militaire veiligheidsdienst. ""Mijn vrouw werd in één cel gezet, mijn drie kinderen, die destijds negen, acht en vier jaar waren, in een andere cel. Ik kreeg in Genève de boodschap dat ik moest kiezen: meteen naar Algerije terug, anders werden mijn vrouw en kinderen aan het Polisario uitgeleverd en bestraft. Ik keerde dus terug en stond nòg eens zeven jaar onder streng toezicht van de Algerijnse militaire veiligheidsdienst.''

Eind september 1988 was de ontevredenheid in de kampen rond Tindouf zó gestegen, dat het tot onlusten kwam, die op 3 oktober een hoogtepunt bereikten toen een deel van het Politieke Bureau van Polisario ontslag nam. Volgens de overlopers is het puur toeval dat die onlusten vrijwel exact samenvielen met de bloedige opstand in Algiers en andere steden, die het startpunt vormde voor dramatische politieke en economische veranderingen in het land. Dat de onlusten in Algiers en Tindouf bij toeval in dezelfde week uitbraken, lijkt zeer onaannemelijk omdat de onlusten in Algiers wel degelijk door de naaste omgeving van president Chadli waren uitgelokt, met als doel het versteende politiek-economische klimaat te veranderen.

""Onze kritiek was'', aldus Abdel Rahman Leibek, ""dat sinds 1973 dezelfde groep met precies dezelfde politiek Polisario leidde, terwijl Polisario van de twee belangrijkste mensen in Algerije, Messadia en Larbi Belkheir, te horen had gekregen dat de Westelijke Sahara nooit onafhankelijk zou kunnen worden. Toen de Polisario-delegatie aan deze naaste getrouwen van president Chadli Benjedid vroeg, hoe het nu verder moest, luidde hun antwoord: "Wij willen dat de Westelijke Sahara geïntegreerd wordt met Marokko en zo een kiezelsteen wordt in de Marokkaanse schoen.' Dat betekende voor ons dat verdere strijd zinloos was geworden.''

De opstand in de kampen leidde tot vele arrestaties. "Barazani' werd opgepakt en mèt hem hoge Polisario-leiders, zoals de huidige minister van binnenlandse zaken Abdelkader Taleb Omar. ""Ook mijn neef Ould Salek Mohamed Salem werd gearresteerd'', zegt Abdel Rahman Leibek, ""de minister van buitenlandse zaken. Hij is van dezelfde stam als ik. Voor straf werd zijn baard afgeschoren en werd hij als simpel soldaat naar het tweede militaire district gestuurd. Pas na mei 1989 werd hij gerehabiliteerd omdat de leden van zijn stam erg ontevreden werden over de manier waarop hij was behandeld. Wilt u de naam weten van onze stam? Aoulad Tidrariu.''

Ondergrondse gevangenis

De 41-jarige Marabih Rabbou Maoulaïnine, voormalig hoofd van de informatie-afdeling van Polisario en voordien directeur van radio-Polisario in Tindouf, kun je nauwelijks een overloper noemen. Hij heeft een totaal andere achtergrond dan zijn twee metgezellen. ""Ik kom uit een zeer gelovige en traditionele familie. Hoewel ik in Spanje gestudeerd heb, moest ik, evenmin als mijn familie en stam, iets hebben van de ideeën van het Polisario.''

Op 5 oktober 1975 werd hij, zo vertelt hij, door Polisario-militairen in zijn huis in het stadje Dakhla opgepakt en meegenomen. ""Ik verdween voor twee jaar in een ondergrondse gevangenis, op 27 kilometer van Tindouf. Het was een kamer van zink in een gat van anderhalve meter diep. De eerste maand zat ik daar alleen, later kreeg ik gezelschap van honderden anderen. Nadat ik was vrijgelaten, kreeg ik een militaire opleiding in het Polisario-leger, samen met 30 anderen. Maar omdat ze mij wantrouwden, moest ik bij de militairen blijven. Ik kreeg drie maal een militaire opleiding, de laatste maal in de stad Blida en tenslotte werd ik instructeur. Totdat Mohamed Abdel Aziz, de president van Polisario, in januari 1979 opdracht gaf om mij, vanwege mijn mooie stem, radio-omroeper te maken. De mensen van de radio worden streng bewaakt en ik had negen programma's per week. Er was dus geen tijd of gelegenheid om te vluchten. Bovendien zaten mijn vrouw en kinderen in het kamp, evenals mijn moeder en mijn broers die in 1976 onder dwang van het Polisario naar het kamp werden gebracht. Vanaf 1980 werd ik in rang verhoogd.''

Toch vluchtte ook Marabih Rabbou, op 19 januari 1989, naar Marokko. Hij wil niet zeggen hoe, ""omdat anderen dezelfde vluchtroute zouden kunnen nemen. Maar ik had hulp van individuele Algerijnen en van Fransen.'' Zijn vrouw, kinderen en andere familieleden bevinden zich nog steeds in de kampen. Hij laat foto's van hen zien. ""Wat ik ook geprobeerd heb, zij kregen geen vergunning zich bij mij te voegen.''

Ook de vrouw en de vier kinderen van "Barazani' zitten nog steeds in de kampen. ""Ze laten mijn gezin niet gaan. Misschien lukt het in de toekomst door druk van buitenaf. In het Europees Parlement is een comité gevormd voor hereniging van Westsaharaanse families. Ik hoop dat zij wat kunnen doen.''

Schaarste

Nu Algerije een schaduw van zijn vroegere zelf is geworden, is ook de eens zo roemruchte strijd van Polisario tot herinnering vervlogen. In de vluchtelingenkampen wordt het leven met de maand moeilijker omdat de Algerijnen steeds minder hulp kunnen of willen geven. Er is steeds meer schaarste en dus groeit de ontevredenheid. De fiere strijders van weleer verkopen nu privé op de zwarte markt in Mali, maar ook in Algerije zelf, de Landrovers en de wapens waarmee zij eens dood en verderf onder de Marokkaanse militairen zaaiden. Met het zo verdiende geld worden de karige rantsoenen wat aangevuld.

Hoe uitzichtloos hun situatie is geworden, bewijst het advies dat de Algerijnse overheid onlangs aan Polisario gaf: om de bevolking van de vluchtelingenkampen bij Tindouf over te brengen naar die grensgebieden van de Westelijke Sahara die Marokko welbewust niet onder controle heeft genomen. De Westsaharanen zouden zich daar onder bescherming moeten plaatsen van MINURSO, de vredesmacht van de Verenigde Naties, die tot dusver één groot brok machteloosheid en mislukking is gebleken.

Het advies is nog net geen bevel. De mannen die Polisario voor Marokko inruilden en die nu nederig en vol eerbied spreken over "Zijne Majesteit' en nooit over "de koning', dezelfde die zij vroeger in alle toonaarden plachten te vervloeken, zijn waarschijnlijk op tijd overgelopen.