Venetiaan loopt massa in Bijlmer mis

AMSTERDAM, 20 JUNI. Caraïbische muziek waait over het zonnige Ganzenhoefplein, ingeklemd tussen de flats waar halverwege de jaren zeventig de eerste groepen Surinaamse emigranten neerstreken. Jongens met zonnebrillen en baseball-petjes op hangen, een blikje fris in de hand, tegen kraampjes met versnaperingen. Af en toe mengt een vage hasjlucht zich met de sigaretterook. Op een van de flats staat een verbleekte leus: "Tegen misère en repressie in Nederland'.

Het wachten is op de president - tegen beter weten in. Aanvankelijk zou de Surinaamse president R. Venetiaan tijdens zijn bezoek aan de Bijlmermeer vrijdagmiddag het Ganzenhoefplein aandoen, maar op instigatie van veiligheidspersoneel - dat het plein niet goed te bewaken vond - werd zijn route verlegd naar het moderne, gestroomlijnde winkelcentrum de Amsterdamse Poort, op ongeveer tien minuten loopafstand. De organisatoren van de festiviteiten op het plein besloten gewoon door te gaan. Dan maar zonder president.

“Ze vinden het hier te onveilig, maar wie zou die man nou iets willen doen?” vraagt een Surinamer van middelbare leeftijd. Nee, hij is niet van plan de president te gaan opzoeken in de Amsterdamse Poort. “Zo mooi om te zien is hij nu ook weer niet”, lacht hij.

Niet alle bezoekers zijn zo gerust op de veiligheid van de president. Aan de rand van het plein loopt een blanke man met snor en schouderlange krullen, die zich voorstelt als “Ruud, van de geheime dienst”. Uit zijn ruitjescolbert steekt een draagbare telefoon. “Ze hebben vanochtend drie jongens opgepakt met stenguns die hem wilden vermoorden”, fluistert hij tegen een oudere Surinaamse vrouw, die hoofdschuddend wegloopt. “Ik heb hier een werkflat”, zegt "Ruud' en wijst naar een van de galerijflats die boven het groen uitsteken.

Tien minuten verderop, in de Amsterdamse Poort, schrijdt een hindoestaanse bruid in een hagelwitte jurk met haar bruidegom uit het stadsdeelraadkantoor aan het Bijlmerplein, het centrale plein van het winkelcentrum. De familie straalt en strooit met confetti. “Misschien dat ik vanmiddag nog even ga om de president te ontmoeten, ja”, zegt een creoolse man in een hardrode colbert, “ik ken hem nog uit Suriname, toen hij minister van onderwijs was. Echt een eerlijke, integere kerel. Of ik nog terug wil? Nou, ik heb hier een carrière van achttien jaar, dus ik denk het niet. Of misschien voor mijn oude dag.”

Om zes uur betreedt Venetiaan, een welkomstkrans van gele en rode bloemen om zijn nek, met zijn gevolg de ontvangstzaal van de stadsdeelraad. Voor een gehoor van Surinaamse notabelen zegt hij: “Het mooiste zou zijn als de hele Bijlmer in één keer naar Paramaribo zou vliegen. Maar we moeten realistisch zijn.” Er is veel dat de 24.000 Surinamers in Amsterdam-Zuidoost naar Suriname roept, aldus Venetiaan. “Maar natuurlijk droomt u niet van het Suriname waar uw gulden tienmaal minder waard is en u nooit een nieuwe koelkast kunt kopen - daarom gaan we dat ook veranderen.” Het staatshoofd oogst een geïmponeerd applaus.

Tegen zeven uur snelt Venetiaan weer naar buiten. Even geeft hij acte de présence op het kleine podium dat, met een reuzetrampoline voor de kleintjes, voor de gelegenheid op het plein is opgericht - dan is hij weg, op naar een volgend punt in het stampvolle programma van het driedaagse privé-bezoek aan de Surinaamse gemeenschap dat hij op zijn officiële bezoek laat volgen. Van het "mengen met de massa' dat hij zo graag doet komt in de Bijlmer weinig terecht.

Onder de paar honderd aanwezigen op het plein, veelal wandelaars en winkelpubliek, heerst slechts lichte teleurstelling. “Hij moest zeker overgeven, dat-ie zo snel weg was”, zegt een creoolse vrouw terwijl ze een laatste stukje bloedworst uit een plastic bakje prikt. “Geeft niet hoor, ik zie hem wel op tv.”

Twee Surinaamse mannen, handen in de zakken, lopen met elkaar op naar het metrostation. “Ik vond het wel jammer dat ik hem niet heb kunnen spreken” zegt een van hen. “Die man geeft tenminste weer een beetje hoop. Ik woon hier nu 25 jaar, maar wie weet ga ik terug. Als het nog eens wat wordt met dat land.”