"Nooit minder doen dan je kan, dat raakt aan de essentie van het leven'; "Ik hoef me niet te sparen. Niet te kiezen. Ik ben gretiger en sterker dan ooit.'; "Het einde van m'n sportcarrière zal niet het einde van mijn leven zijn.'

Hij staat al twaalf jaar lang aan de top, is inmiddels 31, maar denkt dat hij zijn grenzen nog altijd niet bereikt heeft. Vanavond probeert CARL LEWIS zich tijdens olympische selectiewedstrijden in New Orleans voor de vierde achtereenvolgende keer voor de Spelen te plaatsen. “Ik ben gretiger en sterker dan ooit.”

“Het plezier van het presteren is in al die jaren nooit verflauwd, misschien wel verhevigd. Het geeft me nog altijd een enorme kick om mijn krachten te meten. En het geeft me nog altijd een groot gevoel van vreugde de beste te zijn. Dat is een roes die buitenstaanders niet begrijpen. Een genot waarbij geld en aanzien in het niet zinken. Al het werk dat je tevoren hebt verzet. Alle pijn die je hebt geleden. Alleen in wedstrijden kun je de beloning krijgen. Van winnen krijg je nooit genoeg.”

Zelfs niet als je alles al ooit hebt gewonnen. Als je zes gouden en één zilveren olympische medaille op zak hebt. Als je in negen finales van drie WK's acht keer eerste en één keer tweede bent geworden. Als je toch Carl Lewis heet en met geen atleet meer kan worden vergeleken, omdat je de beste, de bekendste, de meest succesvolle uit de geschiedenis bent.

En toch is winnen maar een bijzaak, zegt Lewis. Afgeleide van een hoger streven. “Dat is het beste uit je leven halen. Zo goed mogelijk jezelf te zijn.”

“Je leven hangt niet af van een medaille. Je geluk hangt niet af van een medaille. Als je verliest ben je teleurgesteld, maar de volgende dag is dat over. Net zoals de vreugde van de overwinning een dag later voorbij is. Wat blijft is het gevoel dat je alles hebt gedaan wat in je macht lag. Wat een enorm gevoel van kracht geeft. Dat raakt aan de essentie van het leven: doen wat je kan en nooit minder. De resultaten komen dan vanzelf.”

“Weer drie of vier medailles halen bij de Olympische Spelen, dat is niet het soort doel wat ik mezelf pleeg te stellen. In dit stadium van het seizoen denk ik nog niet eens aan Barcelona. Dat is veel te ver, veel te groot, veel te vaag. Ik houd me liever bezig met de dagelijkse training. Wat heb ik eraan om straks het uiterste te geven als ik het nu niet doe. Alleen op het werk van vandaag heb ik invloed.”

“Ik accepteer maar één doel op langere termijn. Alles wat ik doe is erop gericht om dit tot het beste seizoen te maken dat ik ooit gehad heb. Zoals het WK in Tokio vorig jaar de beste wedstrijd was, die ik ooit beleefd heb. Mike Powell won weliswaar het verspringen met een wereldsprong, een wereldrecord van 8,95. Maar ik sprong de beste serie uit mijn carrière en verder dan ik ooit had gedaan. Ik liep op de 100 meter een wereldrecord van 9,86 en versloeg mijn teamgenoot en vriend Leroy Burell, die dat hele seizoen de snelste was geweest en me anderhalve maand daarvoor ook de snelste wereldtijd had afgepakt. Dat toernooi en vooral die 100-meterrace gaven me zoveel energie. De eerste dertig seconden na afloop waren Leroy en ik als verdoofd. We vielen elkaar in de armen. Allebei hadden we sneller gelopen dan ooit. Maar we konden het niet bevatten. Het was te groot.”

“Het is niet moeilijk om verder te gaan na je beste toernooi. Het is heerlijk om door te gaan na je beste prestaties. Zeker als je het geluk hebt dat je nog fit bent, zonder blessures, aan het eind van zo'n seizoen. En het is een verrukking om dan te merken hoe goed de wintertraining gaat, weer beter dan je ooit hebt meegemaakt. En het is een verrukking om daarna te voelen hoe goed je lijf het op de baan weer doet.”

“Natuurlijk denk je dan aan weer betere prestaties. Nog sneller. Nog verder. Zolang het kan, moet je steeds verder willen. Ik weet dat 9,86 op de 100 meter niet mijn grens is. Ik weet dat ik verder kan springen dan 8,95. Waarom niet in Barcelona? Ik weet dat ik zowel bij het verspringen als de 100 meter voor de derde achtereenvolgende maal een gouden medaille kan winnen, wat nooit eerder vertoond is. Die mogelijkheid heb ik. En ik wil ook de 200 meter lopen. En de estafette. Ik hoef me niet te sparen. Ik hoef niet te kiezen. Ik ben gretiger en sterker dan ooit.”

Wat een verschil met het schooljongetje dat je hulpeloos, bijna smekend aankijkt op familiekiekjes. “Een verlegen ventje” dat zich eenzaam voelt en nietig. Opgegroeid in een keurig burgermansgezin. Wonend in Willingboro, New Jersey, een keurig middelklassestadje. Vader William: gymleraar, gewezen atleet en rugbyspeler. Moeder Evelyn: gymlerares, voormalig verspringster en hordenloopster. Samen oprichters van de Willingboro Track Club, de plaatselijke atletiekvereniging.

Volgens "Inside Track', de autobiografie van Carl Lewis die hij samen met Jeffrey Marx heeft geschreven, was Carl het onderdeurtje en de sportieve minkukel van de familie. Broer Mack was één van de beste hardlopers van New Jersey, broer Cleve speelde in de hoogste divisie van het American football, zus Carol won elk weekend wel ergens een sprint- of verspringwedstrijd. En Carl, klein uitgevallen Carl, die net zoals zijn zus en broers de liefde voor atletiek met de paplepel had binnengekregen, hij had geen schijn van kans tegen zijn forsere leeftijdsgenoten. "Hoe ging het Carl?' "Ik was weer laatst.'

Toch kan hij zich niet herinneren, dat hij ooit heeft overwogen om maar met sprinten en springen te stoppen. Als hij altijd verloor, zat er dus niks anders op dan nog harder te werken. Hij kon dan misschien niet winnen, maar hij kon wel vechten alsof zijn leven ervan afhing. En als hij maar lang genoeg mee doorging, zou hij ze eens misschien allemaal achter zich laten. Dat zeiden ook zijn ouders. Zijn moeder die hem de dag voordat hij voor het eerst naar de grote school moest, de weg wees en zei dat hij het de volgende dag maar zelf moest uitzoeken. Zijn vader, die van hem altijd meer eiste dan van de andere kinderen. Moe van de wedstrijd, werd hij vaak gedwongen extra training te doen.

Nog steeds was hij klein voor zijn leeftijd. Maar hij werd zelden meer laatste. Soms won hij zelfs een wedstrijd. Dan prezen ze dat "taaie', dat "dappere' ventje, dat wel bezeten van winnen leek. Hij werd zelfs gevraagd voor het schoolteam van de Kennedy High School om de 4 x 110 yards horden te lopen. Als enige junior naast drie ouderejaars. Veel van de races die hij sindsdien heeft gelopen, ook kampioenswedstrijden, kan hij zich niet meer precies voor de geest halen. Ze zijn samengevloeid, gecondenseerd tot één sublieme zegetocht. Maar die simpele schoolwedstrijd, alweer zestien jaar geleden, in Willingboro, New Jersey, staat nog altijd in zijn geheugen gegrift. En in zijn hoofd niet alleen.

Toen hij als vierde loper van start ging, had zijn ploeg vier horden voorsprong. Maar het leek wel of zijn benen hem niet wilden dragen. Hij eindigde als laatste. Tot woede van zijn ploeggenoten, die hem uitkafferden en zeiden dat hij het niet moest wagen om nog ooit in hun buurt te komen. Hij zocht zijn toevlucht in een tent, waar zijn vader hem vond en ook weer achterliet toen hij begon te zeuren over zijn nieuwe spikes die te glad voor gras waren gebleken. “Mijn vader had de pest aan excuses.”

Zo bleef hij alleen achter. Hevig huilend. Die nacht nam hij zich voor dat hij nooit meer naar die oude school zou teruggaan, waar mensen op zo'n meedogenloze manier met elkaar konden omgaan. En dat hij nooit, nee nooit meer zo'n vernedering op de atletiekbaan zou accepteren. Hij zou nog harder moeten vechten.

Ook in de jaren daarna kwam het nog wel eens voor, dat hij zich in een hoek gedrukt voelde, dat hij geen raad meer wist met zichzelf. Maar nooit meer zo hevig. En voortaan wist hij wat hem stond te doen. Toen hij met zijn mond vol tanden stond bij een huldiging als beste sprinter van de staat, volgde hij onmiddellijk een cursus spreken in het openbaar. Toen hij bij een tv-optreden niet wist waar hij zijn bewegelijke handen moest laten, nam hij acteerles en speelde Hamlet. "To be or not to be.'.

“Ik ben nou eenmaal een extravert persoon”, zegt Lewis. “Ik wil me niet alleen maar uiten met mijn benen. Maar die andere vormen van expressie heb ik me wel eerst eigen moeten maken. In dit leven gaat bijna niets vanzelf.”

Voor het leven geldt eigenlijk hetzelfde als voor een 100-meterwedstrijd, vindt Lewis. “Je streeft naar perfectie, terwijl je die nooit zult bereiken. Want je maakt altijd kleine foutjes. Dat is niet erg. Zolang je ze maar durft te zien. Zolang je er maar niet voor wegloopt. Fouten laten je zien wat je nog kan verbeteren. Daar moet je dus aan werken. Heel systematisch. Eén voor één. Tegelijkertijd moet je blijven werken aan al die onderdelen die wel steeds perfect gaan. Je mag nooit verslappen. Er is altijd ruimte voor verbetering.”

Al twaalf jaar geleden, op 18-jarige leeftijd, na een late groeispurt die de kleine doordouwer eindelijk ook het lijf gaf van een winnaar, kwalificeerde hij zich voor het eerst voor de Spelen. Zonder Russische inval in Afghanistan en Amerikaanse boycot van Moskou had hij misschien toen al zijn eerste olympische medaille gehaald. Sindsdien heeft hij geen enkele gelegenheid meer laten voorbij gaan om zijn suprematie te bewijzen. Werd hij in zijn beginjaren nog tot vervelens toe gespiegeld aan Jesse Owens, al na zijn vier gouden medailles acht jaar geleden in Los Angeles is hij elke vergelijking ontstegen. De enige die hem nog kan verbeteren is hijzelf.

De atletiekexperts hebben hem al zo vaak afgeschreven. Na een matig voorseizoen in 1983. En toen hij in 1987 op het WK in Rome verloor van Ben Johnson, die Canadese valsspeler wiens dopinggebruik pas een jaar later op de Spelen in Seoul werd gehekeld. En vorig jaar ook weer toen hij na een zware knie-operatie maar steeds niet kon winnen van zijn teamgenoot Burrel. Het is het verlangen naar nieuwe helden. Je kunt een kampioen niet eeuwig blijven bewieroken. Wie te vaak wint, wekt tomeloze wrevel op.

Misschien dat Lewis daarom nooit een echte volksheld is geworden. Zelf zegt hij dat het komt omdat hij zich nooit als een "Oom Tom', als een dociele, lieve neger, heeft gedragen. Hij is te vaak opgekomen voor de rechten van de sporter. Hij heeft zich te vaak verzet tegen de schijnheiligheid van almachtige sportbestuurders met hun valse opvattingen over amateurisme en dopingbeleid.

In het begin van zijn carrière deed het hem pijn als hij werd uitgemaakt voor betweter en ijdeltuit, voor geldwolf en poseur, voor arrogante flikker. Als zijn religieuze gevoelens en zijn muzikale ambities belachelijk werden gemaakt. Maar tegenwoordig laat hij zich niet meer van zijn stuk brengen door wat anderen van hem zeggen. “Nobody gets a free rent in my brain”, dicteert hij staccato. “In mijn bovenkamer krijgt niemand gratis logies.”

Dat pantser kan hij zich permitteren omdat hij elders zijn toevlucht heeft gevonden. Bij de Leken-Getuigen van Christus. En bij de Indiase geestelijk leider Sri Chinmoy die hem zijn nieuwe naam heeft gegeven: "Sudhahota', "ongeëvenaarde offeraar van onsterfelijkheid'. Ook bij de Santa Monica Track Club, "zijn' vriendenclub van topatleten, heeft hij het gevoel dat hij zichzelf kan zijn.

“De club is een soort verlengde van mijn familie”, zegt Lewis. “Sommige van mijn ploeggenoten staan me net zo na als mijn eigen broers. Bij hen hoef ik niet altijd sterk te zijn. Bij hen kan ik kwetsbaar zijn. Een plaats die veilig is, dat is toch wat iedereen zoekt.”

Selectiewedstrijden, Olympische Spelen, Lewis vindt dat hij niets meer te verliezen heeft. “Ik voel me betrokken bij de poltiek, en bij muziek, en bij het bedrijf in sportkleren dat ik samen met een aantal teamgenoten heb opgezet en waar ik elke dag naar toe ga. Allemaal gericht op de toekomst. Het einde van mijn atletiekcarrière zal niet het einde van mijn leven zijn.”