Maskers, monsters en hoofden met meer gezichten

Kunst van Betekenis, Slot Zeist, t/m 28 juni. Di-vr 11-17u, za-zo, 13-17u. Catalogus ƒ 29,50. Daarna rondreis langs instellingen voor geestelijke volksgezondheid.

In de hedendaagse psychiatrische inrichtingen zijn schilderen, tekenen en boetseren niet meer weg te denken activiteiten. Met kunst hebben ze in de meeste gevallen weinig te maken, ze dienen in de eerste plaats een therapeutisch doel. Soms komen daarbij onbevroede talenten naar boven die zich door zelfstudie en begeleiding verder kunnen ontplooien. Maar in inrichtingen komen ook mensen terecht die voor zij ziek werden al als kunstenaar werkten, of een opleiding daartoe achter de rug hadden. Sommigen zijn in staat, met vallen en opstaan, nog het een en ander te produceren. Slechts enkele inrichtingen in Nederland spannen zich actief in om de kunstenaars onder de patiënten in hun werk te stimuleren.

Er is in deze eeuw veel belangstelling geweest voor kunstuitingen in de psychiatrie en er is veel over geschreven. De meeste werken van psychiatrische patiënten bereiken het publiek echter niet, omdat de makers niet in staat of in de gelegenheid zijn hun werk te presenteren. In Nederland bestaan geen omvangrijke collecties, zoals die in het buitenland wel zijn gevormd. De Duitse psychiater en kunsthistoricus H. Prinzhorn bijvoorbeeld bracht tussen 1890 en 1920 een verzameling van zo'n 5000 kunstwerken van 500 psychiatrische patiënten bij elkaar, waarvan delen nog steeds geëxposeerd worden.

In Slot Zeist is onder de titel Kunst van Betekenis in vier zalen een selectie schilderijen en sculpturen te zien van 19 psychiatrische patiënten. Elf van hen hebben een kunstvakopleiding gevolgd, de rest is autodidact. De tentoonstelling is een initiatief van de Schizofrenie Stichting Nederland en is opgezet in samenwerking met de Zeister Kunststichting. Bij de expositie is een catalogus verschenen met uitgebreide achtergrondinformatie. Van de exposanten wonen vijf permanent in een inrichting, anderen wonen - tijdelijk - zelfstandig of in een begeleide woonvorm. Dat de Schizofrenie Stichting het voortouw heeft genomen wil niet zeggen dat alle deelnemers aan deze ziekte lijden, al geldt dat wel voor een groot deel van hen.

De samenstellers hebben er een jaar over gedaan om een gevarieerde presentatie te krijgen. De Schizofrenie Stichting heeft bijna 60 instellingen in Nederland benaderd en om medewerking verzocht. Dat ketste nogal eens af op huiverige therapeuten, die hun patiënten niet aan zo'n project wilden blootstellen, vertelt kunsthistorica Klaaske de Vos van de Zeister Kunststichting. Zij reisde uiteindelijk 25 inrichtingen af om werk van patiënten te selecteren. Daarnaast werden ook nog zelfstandig wonende patiënten benaderd die zich bezighouden met beeldende kunst. “Mijn criterium was in de eerste plaats dat het werk kwaliteit moest hebben. Maar ook heb ik erop gelet of het spannend genoeg was, en anders dan het andere. Het brave, voorspelbare werk heb ik terzijde geschoven”, zegt De Vos. Zij ontmoette op haar speurtocht nogal wat kunstenaar-patiënten die het bedreigend vonden dat in de inrichting hun werk achteraf therapeutisch werd uitgelegd. Zij zagen het als een belemmering om vrijuit te werken.

In het werk van sommige exposanten is duidelijk een relatie te leggen met hun geestesgesteldheid. “Vaak proberen patiënten na een psychose de daarmee gepaard gaande hallucinaties van zich af te schilderen”, vertelt De Vos. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de schilderijen van Otto Libertot, een autodidact die met hulp van zijn handen, een plamuurmes en een ruitewisser surrealistische, Dali-achtige taferelen schildert. Zijn schilderijen lijken op het eerste gezicht abstract, maar krioelen bij nadere beschouwing van allerlei menselijke en monsterachtige figuren, waaruit angst en vertwijfeling spreken. Heel anders zijn de schilderijen van Marjanne Voolstra, die wel een kunstopleiding achter de rug heeft. Zij schildert in haar depressieve perioden juist in vrolijke, heldere kleuren. Op de tentoonstelling hangen een paar aanstekelijke werken met felrode bollen en blauwe vierkanten.

De meeste kunstwerken van psychiatrische patiënten die De Vos tegenkwam waren figuratief. Slechts een enkeling maakt abstracte schilderijen. Enkele voorbeelden daarvan zijn in de tentoonstelling opgenomen. Hoewel kunst van psychiatrische patiënten zich niet als zodanig van andere kunst onderscheidt, zijn er wel een aantal karakteristieke aspecten die vaak terugkeren: het over elkaar heen schilderen van figuren, versluierde en maskerachtige gezichten, monsters en hoofden met meer dan één gezicht.

Op de expositie in Zeist zijn die typische kenmerken terug te vinden, al is het niet bij iedereen. Fascinerend zijn de keramische sculpturen van de Hagenaar Wim van Niel, een oud-stuurman die zich sinds zijn opname in een psychiatrisch ziekenhuis met beeldhouwen bezighoudt. In tegenstelling tot anderen heeft hij de kunsttherapieën juist als heel stimulerend ervaren. Hij woont inmiddels weer zelfstandig en geeft beeldhouwcursussen. Van Niel werkt veel met aangespoeld materiaal dat hij op het strand vindt. Zijn eerste sculpturen tonen donkere figuren met schubben, harnassen en maskers die door het glazuren een metaalachtig effect krijgen. Later, wanneer hij aan de beterende hand is, laat hij vanachter de maskers en de harnassen gezichten en lichaamsdelen tevoorschijn komen.

Van Niel heeft de laatste jaren erkenning als beeldend kunstenaar gekregen en een van zijn beelden won de Haagse Pulchriprijs. Toch voelt hij zich geen kunstenaar. Dat geldt voor meer van de exposanten, vreemd genoeg ook voor degenen met een kunstopleiding. Sommigen gaan daarin zo ver dat ze na ontslag uit de inrichting geen potlood of penseel meer aanraken. Alsof ze hun kunstbeoefening alleen in verband kunnen zien met hun ziekte.