Hofstede: "Concurrentie tussen bonden voorkomt allerlei onzin'

UTRECHT, 19 JUNI. Na bijna 34 jaar houdt Henk Hofstede (54) het vandaag voor gezien bij het Christelijk Nationaal Vakverbond. Aan het voorzitterschap, dat hij de afgelopen zes jaar vervulde, bewaart hij zeker niet alleen goede herinneringen: de verzorgingsstaat raakte uit balans, de Wao staat op de helling, de "overlegeconomie' hapert en de ook door het CNV omhelsde "koppeling' tussen lonen en uitkeringen werd na een jaartje weer buiten werking gesteld.

Maar er stond veel moois tegenover, zegt Hofstede. De werkloosheid daalde spectaculair, het CNV klom naar bijna 330.000 leden (ter vergelijking: de FNV telt bijna 1,1 miljoen leden) en de onvergetelijke verwelkoming (“Ah, mister Hofstede”) door de Amerikaanse president Bush bij diens bezoek vorig jaar aan aan Nederland. “Alsof we dikke vrienden waren. Daar was ik wel even beduusd van.”

Hofstede, vroeger lid van de ARP, thans van het CDA, is inmiddels voor drie dagen in de week voorzitter van het Regionaal bestuur voor de arbeidsvoorziening in Zuidoost-Brabant en zal de resterende tijd vullen met bestuursfuncties van maatschappelijke organisaties. Een energiek en authentiek vakbondsman met een scherp oog voor het algemeen belang, noemde minister De Vries (sociale zaken) vandaag de scheidend voorzitter, die wordt opgevolgd door Anton Westerlaken.

“Toen u voorzitter werd, zei u: De vakbeweging moet de bedrijven in. Uw opvolger roept het nu opnieuw. Is er tijdens uw bewind niets van terechtgekomen?

Hofstede: “Er is niets misgegaan, maar het blijft actueel. In sommige nieuwe branches, zoals de particuliere beveiligingsdiensten, is het gelukt te groeien. Elders niet. Over het algemeen heeft de Nederlandse vakbeweging in bedrijven weinig te vertellen. Werkgevers doen er aan de ene kant schamper over dat zo weinig mensen lid zijn van vakorganisaties, maar aan de andere kant laten ze weinig na om ons buiten de deur te houden”.

Minder dan een op de vier werknemers is lid van een vakbond.

“De organisatiegraad blijft aan de lage kant, maar de afkalving van de vakbeweging is tot staan gebracht. In sommige bedrijfstakken groeien we weer. De banengroei in de jaren tachtig is voortreffelijk geweest, mede dankzij loonmatiging door de vakbeweging. Maar de groei van het aantal deeltijdbanen en los-vaste contracten was nog forser. Juist die laatste groepen zijn moeilijk te organiseren. Het lidmaatschap kost nogal een paar centen en de Nederlander is tot zuinigheid geneigd. Noem het verzachtende omstandigheden.”

Zonder financiële steun van werkgevers zou de vakbeweging het nog moeilijker hebben. Hoeveel subsidie krijgt het CNV eigenlijk?

“Subsidie zou ik het niet willen noemen. Trouwens, het CNV krijgt niks, onze bonden krijgen soms wat, maar hoeveel dat is weet ik niet. Daar lopen ze ook niet mee te koop. Het varieert sterk. Bonden steken veel aandacht en energie in het opleiden van kaderleden. Daar profiteren de bedrijven ook van. Ik houd werkgevers wel eens voor dat ze voor alle andere externe adviezen, van organisatiebureaus tot accountants, peperdure rekeningen moeten betalen, terwijl ze de sociaal-economische adviezen van de vakbeweging voor een appel en een ei krijgen.”

Staan de vakcentrales, vier inmiddels, niet sterker als ze fuseren?

“Nauwe samenwerking, oké, maar fuseren of federeren, nee. In landen met één vakcentrale gaat het zeker niet beter dan bij ons. De eenheidsvakcentrales in Oost-Europa waren pure verlengstukken van communistische partijen. En de situatie in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, waar ook een vakcentrale is, spreekt mij niet aan. Werknemers zijn gebaat bij een keuze tussen vakorganisaties. Een beetje onderlinge concurrentie voorkomt ook allerlei onzin. Je houdt mekaar wakker. Dat wij in 1974 afhaakten bij de federatievorming van de FNV zien wij niet als een gemiste kans. In het openbaar mogen de verschillen dan niet zo groot zijn, op enkele kardinale zaken is onze visie heel anders. Sinds 1909 zien wij de onderneming als een samenwerkingsverband. Nou, dat heb ik ze in FNV-kring nog nooit horen zeggen. En met de MHP en AVC, die voortkomen uit de traditie van pure "bread and butter'-unions hebben we niet veel op.”

In de bedrijven heeft de vakbeweging weinig te vertellen, zegt u, en in "Den Haag' krijgt u weinig meer voor elkaar. Is de invloed van de vakbeweging tanende?

“Op decentraal niveau, in het CAO-overleg in bedrijfstakken en grote bedrijven, is de invloed sinds de jaren '70 eerder toe- dan afgenomen. De invloed van de centrale organisaties is wel minder, maar dat geldt voor de centrale werkgeversorganisaties evenzeer als voor de vakcentrales. Wat er precies is misgegaan, kan ik nog steeds niet bevroeden. Feit is dat we aanzienlijk minder worden geconsulteerd dan ten tijde van de kabinetten Lubbers I en II. Toch heb ik het idee dat nu onder politici het besef weer groeiende is, dat zij het alleen ook niet redden en dat steun van maatschappelijke organisaties onontbeerlijk is.”

De kansen op centraal overleg, waar u de afgelopen jaren diverse keren tevergeefs op hebt aangedrongen, stijgen?

“Centraal overleg zou een zegen zijn. Je moet gewoon erkennen dat de grote knelpunten in ons bestaan - armoede, milieu, werkgelegenheid - niet per CAO kunt oplossen, net zomin als politici dat vanuit Den Haag of Brussel kunnen regelen. Daar heb je de ruggesteun van een soort monsterverbond tussen werkgevers, werknemers en overheid voor nodig. Wij zijn in elk geval bereid om in dat kader een paar jaar te volstaan met de eis van koopkrachtbehoud. Werkgevers lijken er niet veel voor te voelen, maar wat willen ze dan? Een steeds grotere subcultuur van mensen die zich nergens meer wat van aan trekken en zeggen: "Geef mijn portie maar aan fikkie, ik grabbel en snaai het zelf wel bij elkaar'. Werkgevers die dat een zorg is, werken de veramerikanisering van onze samenleving in de hand en gedragen zich onmaatschappelijk. Het kabinet zou ze daarom wel wat meer onder druk mogen zetten.”