"GEFELICITEERD! JE SCHRIJFT ALS EEN MAN'; De moeizame vrouwenstrijd bij The New York Times

The Girls in the Balcony. Women, Men and The New York Times door Nan Robertson 274 blz., Random House 1992, f 49,95 ISBN 0 394 58452 X

Merkwaardig eigenlijk, dat nu juist het liberale bastion The New York Times in de Amerikaanse persgeschiedenis veruit het terughoudendst was wanneer het ging om het aanstellen van vrouwelijke verslaggevers. Nan Robertson, die vanaf 1955 exact dertig jaar heeft gewerkt bij die krant, schreef er een mooi boek over: The Girls in the Balcony. Women, Men and The New York Times. De titel verklaart alles. Ze refereert aan de archaïsche National Press Club in Washington, waar vrouwelijke reporters, nota bene door hun hoofdredacteur erop uitgestuurd, tot in de jaren zeventig slechts vanaf het krappe balkon, en met een broodtrommeltje onder hun arm, bij Gods gratie de speeches van de visiterende wereldleiders mochten volgen. Onderwijl genoten hun mannelijke counterparts een copieus diner-in-vier-gangen, waarna ze onder het roken van een goede sigaar in een luchtig tête-à-tête nog eens de toestand in de wereld met de Groten der Aarde doornamen.

Nan Robertson doet in haar boek verslag uit eerste hand. Ze beschrijft hoe ze in 1963 voor The New York Times naar Washington ging, en met haar verbaast de lezer zich over de hautaine instelling van het mannelijk journaille. Immers, wanneer je de lijst van Pulitzerprijs-winnaars naloopt, Martha Gellhorn hoort vertellen, Kate Adie voor de BBC aan ieder front verslag ziet doen of constateert hoe Bobbie Battista als anchorwoman voor CNN het wereldleed helder samenvat, zou je toch denken dat zeker in het angelsaksisch taalgebied de vrouwelijke journalist niet als noviteit wordt beschouwd.

DARK AGES

Dat blijkt een ernstig misverstand, en dus vooral bij The New York Times. Die onwil gaat terug tot aan de legendarische Adolph Ochs - de selfmade tycoon, die in 1896 uitgever van de Times werd. In de directiekamer op de veertiende verdieping van het gebouw aan West 43th Street hangt nog steeds een fraai olieverfschilderij van hem, bij wijze van hommage aan de Founding Father. Toen hij destijds de vijfenveertig jaar oude krant overnam, was de oplage geslonken tot 9.000 exemplaren, en de publikatie op sterven na dood. Nauwelijks twee jaar later, en mede dankzij een mooi geïllustreerd zondagmagazine, bracht hij de circulatie in één klap op 102.000 exemplaren. Het was ook Adolph Ochs die het motto van de krant bedacht: "All the News That's Fit to Print'.

Zijn regime duurde veertig jaar - en volgens Nan Robertson kan die periode het best worden getypeerd als de "Dark Ages' voor vrouwen op de krant, ook in vergelijking met de concurrentie. Ochs had zijn Victoriaanse noties overgenomen van James Gordon Bennett, uitgever van de New York Herald in de periode 1835-1872, die op een kwade dag ter redactie verscheen met de uitroep: ""Who are these females? Fire them all!'' Adolph Ochs, vervolgt Robertson, zou zoiets nooit doen, daar was hij veel te aristocratisch voor - maar heimelijk dacht hij er eender over.

Precies vier vrouwen werden in zijn tijd tot verslaggever benoemd, waarvan er twee gespecialiseerd waren in "vrouwennieuws' - feestjes, mode, dat soort dingen. De derde werd in no time weer ontslagen, en de vierde was Rachel McDowell: legendarisch verslaggeefster inzake religie, die omwille van een scoop nog eens lelijk opgesloten raakte in een graftombe. Maar verder was er tussen die honderden mannen in hemdsmouwen op de ratelende redactie van The New York Times geen vrouw te vinden, ongetwijfeld vanuit het besef dat het hard boiled reporterschap uitgesproken mannenwerk is. Laat staan de berichtgeving over Wall Street. Niet iedereen moet hebben getreurd toen Adolph Ochs in 1933 aan zijn tweede zenuwinzinking ten prooi viel en werd opgenomen, waarna hij in een psychiatrische inrichting twee jaar later overleed.

DE DOCHTER

Ochs had een dochter, Iphigene. Dat zij haar vader zou opvolgen, was uitgesloten, en uiteindelijk werd haar man Arthur Hays Sulzberger dan ook de nieuwe uitgever. Niettemin had Iphigene het achter de schermen voor het zeggen. Zij zou uitgroeien tot het liberale en menselijke geweten van de krant, en zij trok tot ver in de jaren zeventig aan de touwtjes. Niet voor niets was de eerste beslissing van nieuwkomer Sulzberger het eindelijk opnemen in de staf van Anne O'Hare McCormick, nog zo'n illuster personage. In gezelschap van haar man, een ondernemer, reisde McCormick door het Europa van voor de oorlog en wist het ene ophefmakende interview na het andere te maken. Van Mussolini, via Anthony Eden en Léon Blum tot aan Adolf Hitler, die zelfs haar hand kuste.

Meestentijds was McCormick onvindbaar, dan vlogen de telexen de globe over, totdat er uit een uithoek weer kapitale kopij arriveerde. Dat vrijbuitersbestaan gaf op de krant nogal wat scheve ogen, een reden temeer voor Adolph Ochs om haar op afstand te houden: zo bleef deze razende reporter lange tijd een matig betaalde medewerkster, totdat Iphigene Ochs haar opwachting maakte.

Met Pearl Harbor kwam er pas werkelijk ruimte bij de diverse Amerikaanse kranten, alleen opnieuw niet bij The New York Times. Robertson schetst hoe daar de opengevallen plaatsen van de oorlogsvrijwilligers bij voorkeur werden opgevuld met afgekeurde soldaten, oudere mannen en (nog net) functionerende alcoholisten. Voor het handjevol dames dat, meestal via verre familiebanden, wel ter redactie werd toegelaten, was bij het inleveren van een stuk dit het grootst denkbare compliment: ""Gefeliciteerd! Je schrijft als een man.''

Wanneer het boek de jaren vijftig ingaat, komt de auteur zelf op de proppen. Nadat ze een aantal jaren links en rechts als verslaggeefster had gewerkt, solliciteerde Nan Robertson, achtentwintig jaar oud, in 1955 bij de The New York Times. Ene meneer Burritt, de assistent-manager, ontving haar. Hij was nogal verveeld.

Er waren geen banen, zei hij. ""En waarom precies,'' vroeg hij vervolgens, ""zou U bij de The New York Times willen werken?''

Nan Robertson wist het enig juiste antwoord. Ze was tevoren getipt door bevriende contacten. ""Omdat,'' zei ze monter, ""het de beste krant ter wereld is, meneer Burritt.'' Dat hielp.

Pardoes kwam ze, schrijft Robertson, terecht in een zee van mannen, daar op de nieuwsdienst. Helemaal achteraan, natuurlijk, want de bureaus van de verslaggevers stonden naar goed gebruik in volgorde van belangrijkheid opgesteld. Over de intercom schalde de city editor zijn instructies. Bij het betreden van het pand stuitte ze telkens weer op het borstbeeld van Adolph Ochs. Voor lange tijd was ze overrompeld door de rijke traditie van de krant, maar door de maandelijkse confrontatie met haar loonstrookje veranderde dat langzaamaan.

EEN HEUSE OPSTAND

Hoewel er aan het eind van de jaren vijftig meer vrouwen ter redactie verschenen (tot ongenoegen van de ijzervreters, die nurks opmerkten dat het allemaal ""op een theekransje'' begon te lijken), werd van de achterstand in salariëring door de directie vooralsnog geen punt gemaakt. Charlotte Curtis kwam, en werd een sterverslaggeefster, de vrouwelijke Tom Wolfe. Ada Louise Huxtable arriveerde, en werd al snel als kunstcritica gevreesd door New Yorks inner circle. Na Anne McCormick wist ze als tweede verslaggeefster voor de Times de Pulitzer Prize te winnen. Nan Robertson vertrok naar Washington en maakte kennis met de National Press Club en won later ook al dezelfde prestigieuze prijs voor de journalistiek.

Maar al wat veranderde, niet het salaris, noch de promotiekansen. Een en ander culmineerde in een gedenkwaardige bijeenkomst ten burele, een heuse opstand van het vrouwelijke personeel. Het is hier, op een woensdagochtend in juli 1972 dat het boek van Robertson in de door tumult ontheiligde directiekamer begint. De inzet is een gelijkwaardig salaris: de achterstand loopt in de duizenden dollars. Geheel in de geest van de tijd organiseert het vrouwelijk deel van de krant zich in een pressiegroep: The Woman's Caucus. Ze zoeken de publiciteit. De vrouwelijke employées van mediagigant NBC sluiten zich aan. Amerika staat op zijn kop. Het loopt uit op een rechtszaak, die pas in 1978 met een schikking wordt geregeld. De vrouwelijke werknemers krijgen een gemiddelde salarisverhoging van $ 454,54 per persoon. Geen bijster groot gewin, maar wel een morele zege.

Het is het verslag van deze juridische worsteling die uiteindelijk de derde acte van Robertsons boek vormt, en eerlijk gezegd is dat het minste, want langdradigste deel. Maar verder is The Girls in the Balcony zeer lezenswaardig, temeer daar de auteur nergens belerend wordt. Ze constateert slechts.

En is de situatie nu verbeterd, bij de krant die duizend werknemers heeft en een budget van honderd miljoen dollar?

Langzaam, schrijft Robertson, heel langzaam, keert een en ander zich ten goede: misschien dat het onder Arthur Sulzberger, de vierde in de dynastie en nu nog plaatsvervangend uitgever naast zijn vader Arthur Ochs ("Punch') Sulzberger, al tot een gelijkwaardige positie voor vrouwen gaat komen. Ook bij de beste krant ter wereld - bij haar bewonderaars beter bekend als de "Good Gray Lady' - is geduld een schone zaak.