ENZENSBERGER SPREEKT! ""Ik vind het steeds minder interessant om gelijk te hebben.'' (slot)

Mittelmaß und Wahn. Gesammelte Zerstreuungen door Hans Magnus Enzensberger 285 blz., Suhrkamp 1991, f 39,20 ISBN 3 119 1959 X

We leven in een afgekloven tijdsgewricht. En we weten het. Alles wat ooit vast en heilig leek, schijnt nu onthecht en wankelend: recht en waarheid, rede en beschaving. In de vliegende storm die vooruitgang heet, doolt de mens zonder plechtankers van geloof en traditie, vaart hij op gegist bestek door de eindtijd van dit millennium, terwijl de schuimende golven van bloeddorst en nationalisme over het voordek van de Westerse cultuur kolken.

Europa is op drift. En we weten het. Alles wat ooit vast en heilig leek, schijnt nu onthecht en wankelend: natie en staat, eenheid en broederschap. In het nakende noodweer van een toekomst die verwaait in illusies, verkruimelt het kruiend continent tot een labiele lappendeken die geen warmte meer geeft. In een furie van zelfhaat eet de Oude Wereld haar eigen kinderen op. Vijfentwintig eeuwen beschaving, en dan dit!

En ondertussen klinkt het zwijgen der intellectuelen. Zij zwijgen, de intellectuelen, nu het er om spant. Overdonderend is de leegte van hun geestelijk vacuüm, vol versleten frasen die geluidloos ricocheren langs de verkalkte botten van hun beslagen denkramen. Het spectrum van hun geestelijk gedachtengoed bevat geen enkele kleur meer: de westerse beschaving is overgeleverd aan het vileine verraad van deze klerken op de drempel van de VUT.

En we weten het.

Eén is er slechts. Eén is er die zich schrap zet tegen de wassende wateren des onheils, die schuimen over de rand van de beker van ons ongerief. Een eenzame golfbreker is hij, in deze ziedende zondvloed, maar hij komt vingers te kort om alle gaten te dichten in de dijk die Europese beschaving heet.

Hij woont in München, is nu even in het Berlijnse gedompeld, meet circa een meter vijfenzestig, en is Schriftsteller, dichter en filosoof bovendien.

Ik tref hem in de restauratie van Bahnhof Zoo, waar hij alleen aan een tafeltje wacht. De krant had hij al terzijde gelegd. Er staat teveel nieuws in.

Ik ben gekomen met die ene brandende vraag in mijn bagage.

Meneer Hans Magnus Enzensberger: hoe nu verder?

Hij kijkt mij aan met de montere blik die alleen gegeven is aan hen die de bui allang zien hangen, maar nu, hier in Bahnhof Zoo, Berlijn, besloten hebben simpelweg te genieten van de goede dingen des levens, zoals het kopje koffie ("Milch und Zucker, Herr Enzensberger?', vraagt de gerant onderdanig) dat ik hem zojuist heb aangeboden, waarna hij mij vorsend aankijkt en in serene rust op zoek gaat naar een afgewogen oordeel.

Er rijdt een trein voorbij.

Precies op tijd.

Aan de vooravond van zijn Van der Leeuw-lezing, die hij in het najaar op uitnodiging van de Volkskrant zal komen geven, publiceerde Hans Magnus Enzensberger enige tijd geleden een nieuwe bundel met gedachten, Mittelmaß und Wahn - zijn achtentwintigste alweer, waarin dit keer een mer à boire hem verleidt tot een creatieve embarras du choix, bij wijze van neerslag van zijn veelbewogen leven.

Want veelbewogen was het: hij werd op 11 november 1929 geboren, in Kaufbeuren, Beieren, maar zijn levenslust heeft daar niet onder te leiden. Na een korte carrière in de winter van '44-'45 in de Volkssturm werd hij tolk en barmixer bij de Amerikaanse bezettingstroepen (""Daar leerde ik het kapitalisme kennen'') en literatuurwetenschappelijk filosoof aan de universiteit. Hij liep nog college bij Martin Heidegger (""Die was volstrekt autoritair'', zei hij eens, ""Een kanselredenaar. Ik ben direct weer vertrokken. Ik dacht: iemand die niet kan luisteren, kan ook geen filosoof zijn.'').

Kort daarop vestigde Enzensberger zijn naam als politiek polemist, en enerverend essayist, waarmee hij in de voetsporen van Heinrich Heine, Theodor Lessing en Bertolt Brecht trad. Niet voor niets werd hij in 1962 gelauwerd met de Literaturpreis des Verbandes der Deutschen Kritiker, in 1963 de Georg-Büchner-Preis van de Deutsche Akademie für Sprache und Dichtung, in 1967 de Kulturpreis van de stad Neurenberg en in datzelfde jaar met de internationale lyriekprijs Etna-Taormina waarna in 1980 op het internationale literatuurtreffen te Struga, toen nog Joegoslavië, hem de "Gouden Krans' ten deel viel, zodat de stad Rome in 1982 niet kon achterblijven met de Pasoliniprijs voor poëzie, juist voordat hij in 1985 de literatuurprijs van de stad Keulen voor zijn hele oeuvre kreeg. Hij is, kortom, dank zij al die kanttekeningen bij de ondergang van de wereld, een echte intellectueel - dat is, definieerde hij ooit in Der Spiegel, iemand die in het algemeen gelooft dat hij alles beter weet, terwijl alle anderen weten dat hij een snoever is.

Vandaar ons gesprek. Vandaar mijn vraag:

Herr Doktor Enzensberger, wie jetzt weiter?

Ik wist het. Hij was geen man van open deuren, geen filosoof vol gratuite geestigheden, geen schrijver die zijn snedige ripostes altijd in de aanslag had, om welke interviewer dan ook te behagen. Neen. Meneer Enzensberger is een Duitse Denker die niet over één nacht ijs gaat - en daarom bewondert hij zijn eigen werk ook minder dan de brede stroom adepten, die nog steeds door ons laagland vliedt en voor wie hij als orakel geldt, wanneer het aankomt op Europa, enzo. Had hij niet in een helder moment van zelfbespiegeling een verslaggever ooit toevertrouwd: ""Het is volslagen waanzin om te denken dat ik een groot filosoof ben. Mijn werk bevat vele illusies en meer dan één fundamentele denkfout.''

Mijn nieuwsgierigheid was er niet minder om.

Daarom zaten we hier nu. In Bahnhof Zoo, dat galmt als het kloppend hart van gerestaureerd Duitsland. Op zoek naar een antwoord op mijn dwingende vraag zie ik hem door zijn bibliotheek dwalen, geestelijk gesproken dan.

Ongetwijfeld betast hij daarbij liefdevol zijn jeugdwerk Zupp (1959), zijn maatschappij- en cultuurkritische essays Einzelheiten (1962-65), zijn veelbesproken roman Der Kürze Sommer der Anarchie. Bonaventura's Leben und Tod, zijn onvergetelijke verzamelbundel uit 1974 Palaver - Politischen Überlegungen 1967 - 1973), zijn ophefmakende verhalende gedicht in 33 gezangen Untergang der Titanic (over hoe het vooruitgangsdenken van de Westerse cultuur op de ijsschotsen was gelopen), alsmede zijn verzamelde essays onder de titel Politischen Brosamen uit 1982, over de vreugden van de inconsequentie. Ten slotte komt hij ongetwijfeld uit bij Ach, Europa! (1987), het boek over de Oude Wereld met de allesverklarende ondertitel Wahrnehmungen aus Sieben Länder, mit einem Epilog aus der Jahre 2006, waarin hij bovenal de loftrompet steekt over de Italianen, "de vaklui van de ondergang'.

In zijn geest verdiept hij zich peinzend in zijn oeuvre, hier in Bahnhof Zoo roert hij in zijn kopje koffie.

Leeg.

""Zweite Köpfchen gratis?'' probeer ik zijn gedachtentrein op stoom te houden.

Hij knikt. Met de paradox van zijn zwijgen verbluft hij mij wederom. Meneer Enzensberger is wijzer geworden, sinds hij in Nederland door amechtige adepten in alle media werd gebruikt als boegbeeldintellectueel wiens nauwelijks te stuiten woordenstroom eeuwigheidswaarde bezat, hoewel de gewone lezer abusievelijk meende dat er sprake was van een kletterende waterval van wollige zinnen die al verdampten voordat zij de bodem van de ziel bereikt hadden.

Maar zo was hij niet. Wist ik. Daarom zitten wij hier nu.

Zoals hij vol gedachten langs mij heen kijkt, doet Hans Magnus Enzensberger mij denken aan kapitein Ahab die vol obsessie de tomeloze einder aftuurt, op zoek naar de Verlossing in de vorm van die ene witte walvis die wij Moby Dick noemen.

Maar eerst: appeltaart.

Hola, wat is dit nu? Hij beweegt zijn lippen, om een antwoord dat opwelt uit de diepe kerkers van zijn binnenste toe te laten tot het openbare domein. Zou het een eloquente diagnose zijn die voortspruit uit zijn voortdurende bekommernis dat velen van ons de weg kwijt zijn in het labyrint dat modern leven heet? Wat is het dat Hans Magnus Enzensberger zegt?

""Mit Sahne, bitte''

Hij spreekt op een toon alsof hij niet de appeltaart maar de compositie van de kosmos bedoelt. En eigenlijk is dat ook zo, want heeft hij niet ooit eerder zijn wijsgerig credo geformuleerd als: ""Alles reageert op alles, maar dat wil niet zeggen dat het geheel onbegrijpelijk is.''

Hij is, dat blijkt, mild geworden de laatste jaren. Maar hij wil nog steeds met scherpzinnige en vernuftige redeneringen meedogenloos afrekenen met eventueel resterende illusies van de toehoorder, die soms grinnikend als een boer met kiespijn nillens willens van dat kostelijke proza geniet. Had hij niet gevat gereageerd op de verontwaardigde analyse van een Nederlandse journaliste ""Ik denk dat intellektuelen meer kunnen dan ze denken'' met de honende opmerking: ""Ja, maar wij hoeven niet de hele mensheid te redden.'' En toen de Nederlandse journaliste van geen wijken wist getuige haar de tegenvraag of ""intellektuelen dan niet te bescheiden zijn geworden?'' stipuleerde meneer Enzensberger terecht droogjes: ""Brecht heeft daar al iets goeds over gezegd: men moet de juiste grootte vinden. Hij gaf als voorbeeld een zeilboot: als het zeil te groot is en er komt wind, dan slaat de boot om; als het zeil te klein is, komt de boot niet vooruit. Begrijpt U wel?''

Om te eindigen met de onvergetelijke maatschappelijke relativiteitstheorie die tot diep in het volgens millenium meekan: ""Ach, de een bakt de broodjes, de ander denkt en schrijft.''

Ik weet dat Enzensberger zich steeds minder thuis voelt bij dit soort journalistieke wissewasjes. Het gaat hem om de duurzame dingen des levens. Daarom zei hij onlangs in Der Spiegel: ""Ik vind het steeds minder interessant om gelijk te hebben.'' En daarom zit ik nu hier.

Want als er één iemand is die licht kan brengen tot in de donkerste kamertjes van het getroubleerde Europese huis, dan is het Hans Magnus Enzensberger wel.

Daarom wacht ik hier op een antwoord in Banhhof Zoo. En niet weinigen met mij na 21 enerverende episodes, die het ondertussen ook als verontrustend voorkomt dat velen van ons geen zin in hun bestaan herkennen. We leven immers wel, maar er is weinig dat ons ten diepste raakt. Onze relaties zijn vaak oppervlakkig, of afwezig. Onze leefomgeving ervaren wij soms als iets dat buiten ons staat en weinig eigens heeft. Is er nog wel iets dat ons echt lief is? Wat is ons echt een zorg? Zijn wij niet de zin tot geven, de zin tot bijdragen kwijtgeraakt? Voldoening vinden wij immers niet meer, omdat wij die zoeken op de verkeerde plaats. Is er nog een manier om persoonlijk, maatschappelijk en ecologisch in balans te komen?

Daarom de vraag:

Meneer Enzensberger, hoe nu verder?

Want Enzensberger - immers een commentator van tijdsverschijnselen pur sang - weet altijd weer de aandacht te trekken met eigenwijze opinies. Plaatste hij zichzelf niet onlangs in Der Spiegel diametraal in het thans vigerende wereldbeeld met de onbarmhartige constatering: ""Ik ben een wat a-sociaal type. Ik ben eigenlijk onbetrouwbaar.'' Had hij niet de Denen met hun robuuste Europa, Nej Danke! de weg gewezen toen hij schreef: ""Op de ideologische drugsmarkt gaat een preparaat van hand tot hand dat de amfetamine van de jaren negentig heet te zijn. Zijn naam is: Europa.'' Wat hem vooral tegenstaat, vertrouwde hij ooit een journalist van Der Spiegel toe is dat Europa zo'n modeverschijnsel is.

Eigenwijze opinies, indeed.

Daar zit hij tegenover mij, met geloken ogen wikt hij en weegt hij. In opperste concentratie. Is de rusteloze Hans Magnus Enzensberger dan eindelijk tot rust gekomen? Zoals hij daar zit lijkt hij op een jonge boeddha. Op zoek naar wijsheid in een volkomen lege wereld. En dat etherische geluid: je hoort hem denken.

Er rijdt een trein voorbij.

Mijn trein terug naar Amsterdam!

Nu na tweeënhalf uur contemplatie meen ik toch wel aanspraak te kunnen maken op een antwoord. Een mooi antwoord, een toegesneden antwoord, een antwoord voor in de krant, zoals hij al zo vaak voor Der Spiegel had gedaan:""Psychisch gesprochen ist gesellschaftkritische Philosophie ein klarer Fall von Wiederkehr des Verdrängten.''

Ik kijk hem vorsend aan. Hier is een Overpeinzing in de maak. Maar wat duurt het lang. En dat op kosten van de krant.

Daarom raak ik hem zachtjes aan. Ik trekt hem aan zijn vestje.

Daarom ook mijn vraag:

Eeuhh, Entschuldigung... Herr Enzensberger, sind sie da? Oder?

Alle Jezus! Wat is dat nu? Heer Enzensberger slaapt! Dat was geen denken dat ik hoorde, dat was snurken! Enzensberger slaapt hier in mijn aangezicht, en dat terwijl het vijf voor twaalf is, interplanetair gesproken dan! Met die constatering wil ik niet beweren dat meneer Enzensberger geen nuttige arbeid verricht. Maar: dit lijkt natuurlijk nergens op.

Waar ligt dan, ontwaak ik wreed uit twintig jaar journalistieke pensioenopbouw, waar ligt dan de grens tussen waarachtige denkers en modieuze meewaaiers, lanterfanterende lafaards, scabreuze scharrelaars die hun magere intellectuele kostje vergaren uit de vuilnisbakken van de kolkende wateren van de gratuite mediocriteit? Even, heel even denk ik aan de grootmeesters van de geveinste eruditie: Hans van Mierlo, Harry Mulisch, John Jansen van Galen, Mart Smeets, Cees Nooteboom, Jan Blokker, W. L. Brugsma e tutti quanti. En denk: ""Ook gij, Hans Magnus?''

Het zal een vraag zijn die ook Enzensberger achtervolgt, want hij schrikt plots wakker uit zijn hazeslaapje, kijkt mij recht in de ogen, en zegt op sonore toon:

""Ein reduziertes Murmeln ist immer noch besser als ganz zu schweigen.''

Even is het stil.

Dan schud ik hem de hand.

""Herr Enzensberger, Ich danke Ihnen für dieses Gespräch.''